Vragen over breed­te­sport en topsport­eve­ne­menten


Indiendatum: feb. 2016

-> de vragen en antwoorden als pdf vindt u hier

Schriftelijke vragen over de impact voor breedtesport en de economische spin-off van topsportevenementen

In de discussie over de balans tussen breedtesport en topsport in het programma Gelderland Sport! 2016-2019, tijdens de commissievergadering van 28 oktober jl., en in de Statenbrief die hier op volgde, beroept Gedeputeerde Markink zich meermaals op de WESP-methodiek.

De Werkgroep Evaluatie Sportevenementen (WESP) biedt op haar website inzicht in de richtlijnen die worden gehanteerd.

De richtlijnen van de WESP-methode om tot een Prognose Economische Impact te komen hebben o.a. betrekking op verdringingseffecten die binnen de regio van het evenement plaatsvinden, maar laat de verdringing buiten de regio – zoals bezoekers die eten en drinken consumeren bij het evenement en daardoor niet thuis – buiten beschouwing .

Aangenomen dat een aannemelijk deel van bezoekers aan topsportevenementen in Gelderland inwoners van Gelderland zijn, en Gelderland voor de meeste sportevenementen groter zal zijn dan de ‘regio’ waarop de prognose betrekking heeft, gaan hun uitgaven rond het evenement ten koste van uitgaven die zij anders hadden gedaan in hun woonomgeving. Voor dit deel van de bezoeker is de ‘economische impact’ deels in feite slechts een verschuiving van uitgaven wat weliswaar wat oplevert voor de betreffende regio, maar wat per saldo niets oplevert voor de provincie Gelderland.

Daarnaast hebben de meeste Gelderlanders een beperkt budget: geld dat wordt uitgegeven aan het bezoeken van een topsportevenement, kan niet worden uitgegeven aan het bezoeken van een Gelders museum. Ook dit effect levert per saldo niets op voor Gelderland.

  1. Bent u het met ons eens dat deze omissies in de WESP-methode de economische impact van topsportevenementen voor Gelderland rooskleuriger voorstelt dan reëel is? Zo ja, wat gaat u hier mee doen? Zo nee, waarom niet?

    De WESP-methode kent ook richtlijnen over de milieubelasting van sportevenementen.
  2. Neemt u de milieurichtlijnen ook mee in het proces voorafgaand aan subsidieverlening? Zo ja, op welke wijze en welke afwegingen worden daarbij gemaakt? Zo nee, waarom niet?

    In het 'Handboek Meer halen uit sportevenementen’ stellen de auteurs: “De directe link met het evenement verhoogt de aantrekkelijkheid van deze activiteiten voor de doelgroep. Bedenk echter wel dat gezondheidseffecten alleen optreden bij een zekere intensiteit en regelmaat.” Verder in het handboek wordt als voorbeeld van een prestatie-indicator de toename van (sport)verenigingslidmaatschap van een bepaald percentage genoemd.
  3. Hanteert u dergelijke prestatie-indicatoren in relatie tot subsidieverlening? Zo ja, op welke wijze en/of welke prestatie-indicatoren hanteert u? Zo nee, waarom niet en op welke wijze is de voorwaarde dat er een relatie met de breedtesport wordt gelegd dan geconcretiseerd?
  4. Voortbordurend op bovenstaande vraag: hoe berekent u in welke mate de beoefende breedtesport rond topsportevenementen niet zonder het topsportevenement beoefend zou worden? M.a.w., hoe is te bepalen dat een deel van de beoefende breedtesport rond topsportevenementen een exclusief gevolg is van het topsportevenement?
  5. Hoe is te bepalen dat dit exclusieve gevolg van het topsportevenement niet met minder financiële middelen, zonder het topsportevenement, behaald had kunnen worden?

    In de bijlage van de ‘Aanvulling Statenbrief Gelderland Sport! 2016-2019’ (PS2015-589) is een tabel opgenomen met deelnemersaantallen van sportevenementen in Gelderland in 2014. Met de totale percentages van deelnemende breedtesporters en topsporters, respectievelijk 99,5% en 0,5%, zou zijn aangetoond dat het breedtesportbereik van sportevenementen erg hoog is. Het betreft echter niet alleen topsportevenementen, maar voor een deel zelfs sportevenementen waaraan geen enkele topsporter deelneemt. De discussie in de commissievergadering ging om de financiële verhouding tussen topsport en breedtesport. M.a.w.: hoeveel wordt er uitgegeven aan topsport en hoeveel aan breedtesport?
  6. Kunt u de tabel in bijlage 1 aanvullen met de subsidiebedragen die zijn uitgegeven aan de evenementen? Zo nee, waarom niet?
  7. Kunt u ook aangeven welk deel van de subsidie van sportevenementen exclusief wordt besteed aan breedtesport (dus niet indirect, waarbij het in eerste instantie wordt besteed aan topsport)?

    In de Statenbrief licht u het WK beachvolleybal als voorbeeld uit: “In de aanloop naar het WK beachvolleybal zijn in Gelderland 1225 volleybalclinics georganiseerd met in totaal 20.960 deelnemers. Volleybaltoppers hebben 22 scholen bezocht en daarmee 3300 kinderen bereikt. Veertien schoolklassen met in totaal 420 kinderen hebben in twee dagen voorafgaand aan het toernooi gevolleybald. Ook hebben 1400 scholieren meegedaan aan het smash- en beachtoernooi. Er zijn elf nieuwe beachvolleybalvelden geopend in Gelderland die ook door andere beachsporten zoals korfbal, handbal en voetbal kunnen worden gebruikt. Door deze activiteiten neemt nam ook het aantal jeugdleden toe.”
  8. Kunt u aangeven welk deel (in absolute bedragen) van de subsidie die aan het WK is verleend, is gespendeerd aan de side events; de clinics, de schoolbezoeken, de schooltoernooien en de opening (en eventueel aan de realisatie) van de beachvolleybalvelden?
  9. Zou het bereik in de vorm van breedtesportbeoefening van deze uitgaven anders zijn geweest als het deel van de subsidie dat direct aan het topsportevenement, het WK beachvolleybal, niet was verleend? Zo ja, op welke wijze en waar baseert u dat op?

    Afgelopen donderdag vond de kick-off van ‘99 dagen tot de Giro Gelderland’ plaats. Gedeputeerde Markink heeft zijn enthousiasme niet onder stoelen of banken geschoven.
  10. Kunt u aangeven welk deel van de ongeveer 5 miljoen euro subsidie aan de Giro exclusief wordt besteed aan breedtesport, dus o.a. in de sportieve side events, los van het main event? Zo nee, waarom niet?

Maaike Moulijn
Lid Provinciale Staten van Gelderland
Partij voor de Dieren

Indiendatum: feb. 2016
Antwoorddatum: 1 mrt. 2016

Vraag 1:
Bent u het met ons eens dat deze omissies in de WESP-methode de economische impact van topsportevenementen voor Gelderland rooskleuriger voorstelt dan reëel is? Zo ja, wat gaat u hiermee doen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. Het is andersom. Bij de WESP methode wordt de economische impact onderschat in plaats van dat deze methode een te rooskleurig beeld voorstelt. Dit komt doordat:
- De bestedingen van Gelderse bezoekers en deelnemers worden NIET wordt meegenomen in de economische impact berekening: er vanuit wordt gegaan dat 100% van de uitgaven door inwoners van de provincie anders ook in Gelderland plaats zouden vinden. Dit geldt tevens voor de bestedingen van de organisatie van het evenement buiten Gelderland.
- De media waarden van evenementen wordt niet meegenomen.
- Er wordt geen rekening gehouden met lange termijn effecten.
- De zakelijke deals die volgen uit netwerkevents tijdens de evenementen worden niet meegerekend. De verdiensten voor het Gelderse bedrijfsleven die voortkomen uit deze netwerkbijeenkomsten kunnen een veelvoud zijn van de directe bestedingen van bezoekers, deelnemers en media zoals deze tijdens het evenement worden gemeten.
De daadwerkelijke economische impact is hoger dan dat met de WESP methode wordt gemeten.

Vraag 2:
De WESP-methode kent ook richtlijnen over de milieubelasting van sportevenementen. Neemt u de milieurichtlijnen ook mee in het proces voorafgaand aan subsidieverlening? Zo ja, op welke wijze en welke afwegingen worden daarbij gemaakt? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. In de praktijk blijkt deze richtlijn lastig inzetbaar en weinig effecten te meten.

Vraag 3:
In het ‘Handboek Meer halen uit sportevenementen’ stellen de auteurs: “De directe link met het evenement verhoogt de aantrekkelijkheid van deze activiteiten voor de doelgroep”. Bedenk echter wel dat gezondheidseffecten alleen optreden bij een zekere intensiteit en regelmaat.” Verder in het handboek wordt als voorbeeld van een prestatie-indicator de toename van (sport)verenigingslidmaatschap van een bepaald percentage genoemd.
Hanteert u dergelijke prestatie-indicatoren in relatie tot subsidieverlening? Zo ja, op welke wijze en/of welke prestatie-indicatoren hanteert u? Zo nee, waarom niet en op welke wijze is de voorwaarde dat er een relatie met de breedtesport wordt gelegd dan geconcretiseerd?

Antwoord:
Nee, wij hanteren dergelijke prestatie-indicatoren niet. De relatie met breedtesport wordt gelegd in de verplichting om side events te organiseren. Dit is een voorwaarde voor subsidie van de organisatie van het hoofdsportevenement. Het maatschappelijk effect daarvan is op het niveau van een individueel evenement onvoldoende aantoonbaar en de kosten voor het onderzoek dat nodig is om de effecten in beeld te brengen staat niet in verhouding tot de investeringen.

Vraag 4:
Voortbordurend op bovenstaande vraag: hoe berekent u in welke mate de beoefende breedtesport rond topsportevenementen niet zonder het topsportevenement beoefend zou worden? M.a.w., hoe is te bepalen dat een deel van de beoefende breedtesport rond topsportevenementen een exclusief gevolg is van het topsportevenement?

Antwoord:
Dit bepalen wij door te kijken naar:
- Het aantal amateurs dat deelneemt aan een sportevenement.
- Het aantal deelnemers aan side-events. Zonder het topsportevenement zouden de breedtesport side-events niet plaatsvinden. De side-events van breedtesportactiviteiten zijn direct een gevolg van het topsportevenement of toernooi.

Vraag 5:
Hoe is te bepalen dat dit exclusieve gevolg van het topsportevenement niet met minder financiële middelen, zonder het topsportevenement, behaald had kunnen worden?

Antwoord:
Het deelnemersveld bij veel topsportevenementen bestaat grotendeels uit breedtesporters. Zonder topsportevenement zouden de side-events niet zijn georganiseerd. Ten aanzien van de hoogte van de financiële middelen geldt dat alleen wordt gesubsidieerd wat nodig is voor de directe realisatie van het evenement.

Vraag 6:
Kunt u de tabel in bijlage 1 aanvullen met de subsidiebedragen die zijn uitgegeven aan de evenementen?

Antwoord:

Tabel horende bij antwoorden breedtesport en topsportevenementen

Vraag 7:
Kunt u ook aangeven welk deel van de subsidie van sportevenementen exclusief wordt besteed aan breedtesport (dus niet indirect, waarbij het in eerste instantie wordt besteed aan topsport)?

Antwoord:
Nee, het is niet te berekenen welk deel van de subsidie van sportevenementen exclusief wordt besteed aan breedtesport omdat de faciliteiten zoals de baan, tribunes etc. zowel door de breedtesporters als topsporters wordt gebruikt. Wel geldt dat de faciliteiten niet zouden zijn aangelegd zonder het hoofdevenement.

Vraag 8:
Kunt u aangeven welk deel (in absolute bedragen) van de subsidie die aan het WK beachvolleybal is verleend is gespendeerd aan side events; de clinics, de schoolbezoeken, de schooltoernooien en de opening (en eventueel de realisatie) van de beachvolleybalvelden?

Antwoord:
Topsport:
- Subsidie WK Beach: € 200.000,-
Breedtesport:
Er zijn in aanloop naar het WK Beachvolleybal naast tientallen toernooien ruim 2400 uren aan clinics gegeven op scholen. Hierbij is telkens de lokale vereniging betrokken, om de route naar structureel sportaanbod zo kort mogelijk te maken. Side events hebben niet alleen plaatsgevonden in de scholen of op reguliere sportaccommodaties, maar ook in de voormalige Zwitsalfabriek en het Orpheus theater. Tevens hebben scholen gebruik gemaakt van het aanbod om met hun leerlingen het WK beachvolleybal te bezoeken. Hieraan zijn de volgende subsidies verleend:
- Aanleg beachvelden: € 200.000,-
- Clinics en 7 andere side events: € 473.000,-

Vraag 9:
Zou het bereik in breedtesportbeoefening van deze uitgaven anders zijn geweest als het deel van de subsidie dat direct aan het topsportevenement niet was verleend?

Antwoord:
Ja. Zonder het WK beachvolleybal zou het bereik van de breedtesport veel kleiner geweest zijn. Beachvolleybal heeft door het WK in Gelderland een enorme impuls gekregen. Het WK vormde in dit geval zeer nadrukkelijk de katalysator die geleid heeft tot de aanleg van nieuwe beachvolleybalaccommodaties, het organiseren van toernooien en het meedoen aan honderden clinics voor scholen en verenigingen. De deelname aan deze activiteiten zou zonder het WK veel lager geweest zijn.

Vraag 10:
Kunt u aangeven welk deel van de ongeveer 5 miljoen euro subsidie aan de giro exclusief wordt besteed aan breedtesport, dus o.a in de sportieve side events, los van het main event? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
De subsidie van de provincie Gelderland is een onderdeel van de totale begroting Van Giro Gelderland 2016. De totale kosten bedragen netto circa €10,2 miljoen. Daarvan wordt circa €0,96 miljoen besteed aan side events. Dat is gelijk aan 9,4%. Vanuit het side-events worden van veel activiteiten, zoals bijvoorbeeld de toertocht op 1 mei 2016, een positieve werking voor de breedtesport verwacht.

Gedeputeerde Staten van Gelderland
C.G.A. Cornielje - Commissaris van de Koning
P.G.G. Hilhorst – secretaris

Wij staan voor:

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer