Schrif­te­lijke vragen over geiten­hou­derij, de nieuwe omge­vings­ver­or­dening en stik­stofe­missie


Indiendatum: 22 dec. 2020

Vorige maand publiceerde Eyes on Animals een uitgebreid rapport over een onderzoek naar de situatie van de jonge bokjes in de geitenhouderij. Onder andere het tv-programma Radar en het radioprogramma Nieuwsweekend besteedden er aandacht aan.

In het rapport is de schrijnende situatie van de pasgeboren bokjes weergegeven. In de eerste helft van 2020 werd 80-90% van de jonge bokjes binnen twee weken gedood omdat vanwege de Corona-epidemie de afzetmogelijkheden van vlees waren weggevallen. In mei had EenVandaag er ook een reportage over met beelden van een handelaar die bokjes van 8 dagen naar de slachterij reed.

Omdat de geitenhouderij verhoogde kans op gezondheidsproblemen geeft, is er op dit moment een uitbreidingsverbod voor geitenhouderijen. De provincie wil binnenkort de omgevingsverordening wijzigen om het geitenhouders mogelijk te maken de stal uit te breiden met plaatsen voor pasgeboren bokjes. De Partij voor de Dierenfractie ziet liever dat de sector geen toestemming krijgt om weer uit te breiden. Een alternatief voor de korte termijn is de volwassen dieren minder vaak drachtig te laten worden, en een deel van de ruimte voor oudere dieren om te bouwen naar ruimte voor de jonge dieren.

In het voorjaar stelden we ook al vragen over het gebrek aan stalruimte voor pasgeboren lammetjes.

Volgens het college heeft een geitenhouderij in de ideale situatie ruimte voor 30 % C2 opfokgeiten (30% van het aantal volwassen C1 dieren) en 60 % C3 lammeren (waarvan de helft C2 wordt, en de andere helft geslacht wordt). Jaarlijks worden dan ook 30% volwassen C1 dieren geslacht.

In onze eerdere vragen was het aantal C1, C2, en C3 plaatsen in Gelderland weergegeven. Inmiddels zijn die aantallen (ondanks de bouwstop) al weer gestegen (zie de bijlage). Als we rekenen met de formules van de provincie zijn er over het geheel ongeveer 7.800 C2 plaatsen te veel, en 51.000 C3 plaatsen te weinig. Kijken we naar de individuele bedrijven dan is er bij bedrijven met een tekort een tekort van ongeveer 12.600 C2 plaatsen en 56.000 C3 plaatsen, en bij bedrijven met een overschot een overschot van ongeveer 20.400 C2 plaatsen en 5.000 C3 plaatsen.

Volgens de plannen van de provincie zullen er dus 56.000 C3 plaatsen (voor jonge dieren) bij moeten komen. Het is de vraag of daar stikstofruimte voor is. Het is ook de vraag wat er met het vlees van de geslachte dieren zou moeten gebeuren, omdat er nu al geen vraag naar is.

In de uitzending van EenVandaag wordt 20% genoemd in plaats van 30%. Als de provincie zou rekenen met 20%, dan zouden geen 56.000 extra plaatsen nodig zijn, maar 32.000. Er zou helemaal geen uitbreiding nodig zijn, als C1 en C2 plaatsen omgezet zouden kunnen worden in C3 plaatsen,

  1. Hoe is de situatie van de geitenhouders met betrekking tot de Wet Natuurbescherming? (Bijvoorbeeld : voor hoeveel plaatsen in de verschillende categorieën C1, C2, C3 is er een vergunning?)

  2. Wanneer gaat u handhaven als er geen geldige Wnb-vergunning is?

  3. Heeft u onderzocht welk deel van de bedrijven daadwerkelijk zal kunnen of willen uitbreiden? Zo ja, wat is de uitkomst?

  4. Is het mogelijk het ombouwen (in plaats van uitbreiden) te stimuleren, bijvoorbeeld door geen leges te rekenen bij het aanpassen van de vergunningen, en door een adviseur de mogelijkheden te laten inventariseren?

  5. Wat zijn de mogelijkheden als er meer gebruik gemaakt zou worden van weidegang ? Geeft dat ruimte ? Welke vergunningen zijn er voor nodig?

  6. Wat zal er volgens de provincie gebeuren bij bedrijven die juist te veel C3 plaatsen hebben?

  7. Kunt u het percentage van 30% (C2) onderbouwen? Is het niet mogelijk de volwassen dieren langer aan te houden, en minder vaak drachtig te laten worden?

  8. Is de C2 en C3 ruimte wel tegelijkertijd nodig ? Het gaat in één jaar toch om dezelfde dieren?

  9. Bij grotere bedrijven wordt er soms voor gekozen om verschillende groepen in verschillende perioden van het jaar te laten aflammeren. Zijn dan wel 60% C3 plaatsen nodig?

  10. Is er inderdaad een tekort van 56.000 plaatsen voor jonge bokjes ? Zo nee, hoe groot is het tekort dan?

Luuk van der Veer
Lid Provinciale Staten van Gelderland
Partij voor de Dieren


Overzicht van stalcategorieën van geitenhouderijen in Gelderland.

Hieronder staat een overzicht van de diercategorieën in de Gelderse geitenhouderijen volgens Igoview, en het tekort/overschot aan C2 en C3 plaatsen volgens de percentages van de provincie. In Ede zouden er meer dan 10.000 plaatsen te kort zijn voor pasgeboren dieren. In Culemborg is er met meer dan 3000 volwassen geiten helemaal geen plaats voor jonge lammetjes.

C1 : melkgeiten ouder dan 1 jaar

C2 : geiten van 60 dagen tot 1 jaar

C3 : geiten tot 60 dagen

Gemeente

C1

C2

C3

Totaal

c2 tekort/overschot

c3 tekort/overschot

Aalten

151

10

5

166

-35

-86

Apeldoorn

1.203

121

27

1.351

-240

-695

Arnhem

27



27

-8

-16

Barneveld

9.166

1.956

1.160

12.282

-794

-4.340

Berg en Dal

317

266

80

663

171

-110

Berkelland

7.262

2.367

1.183

10.812

188

-3.174

Beuningen

2.870

1.633

1.037

5.540

772

-685

Bronckhorst

4.841

2.625

380

7.846

1.173

-2.525

Brummen

34



34

-10

-20

Buren

3.971

1.053

752

5.776

-138

-1.631

Culemborg

3.164

1


3.165

-948

-1.898

Doetinchem

1.510

750

1.850

4.110

297

944

Druten

2.134

250

250

2.634

-390

-1.030

Ede

22.305

4.842

3.320

30.467

-1.850

-10.063

Elburg

2.343

880

500

3.723

177

-906

Epe

4.306

960

795

6.061

-332

-1.789

Ermelo

11

4


15

1

-7

Hattem

132



132

-40

-79

Heerde

522

75

50

647

-82

-263

Lingewaard

2.742

800

750

4.292

-23

-895

Lochem

2.770

890

475

4.135

59

-1.187

Maasdriel

5.260

10.250

400

15.910

8.672

-2.756

Montferland

3.850

602

600

5.052

-553

-1.710

Neder-Betuwe

1.782

700

400

2.882

165

-669

Nijkerk

1.320

1.150

515

2.985

754

-277

Nunspeet

1.124

439

440

2.003

102

-234

Oldebroek

2.217

551

491

3.259

-114

-839

Oost Gelre

2.003


720

2.723

-601

-482

Oude IJsselstreek

19



19

-6

-11

Overbetuwe

6.834

2.345

1.125

10.304

295

-2.975

Putten

1.710

505

170

2.385

-8

-856

Rheden

43



43

-13

-26

Scherpenzeel

3



3

-1

-2

Tiel

1



1

0

-1

Voorst

994

1.190

250

2.434

892

-346

Wageningen

9



9

-3

-5

West Betuwe

6.999

3.330

1.103

11.432

1.230

-3.096

West Maas en Waal

6.238

1.400

1.045

8.683

-471

-2.698

Wijchen

2.885

292

990

4.167

-574

-741

Winterswijk

1.300

565

180

2.045

175

-600

Zaltbommel

1.157

244


1.401

-103

-694

Zevenaar

2.373

730

100

3.203

18

-1.324

Zutphen

3



3

-1

-2

Totaal

119.905

43.776

21.143

184.824

7.805

-50.800

Indiendatum: 22 dec. 2020
Antwoorddatum: 2 feb. 2021

Beantwoording schriftelijke Statenvragen Statenlid Luuk van der Veer PvdD over Geitenhouderij, de nieuwe omgevingsverordening en stikstofemissie

Ingevolge het bepaalde in artikel 39 van het Reglement van Orde Provinciale Staten van Gelderland 2017 doen wij u hieronder het antwoord van ons college op de vragen van Luuk van der Veer toekomen.

Inleiding van de vragensteller: Vorige maand publiceerde Eyes on Animals een uitgebreid rapport over een onderzoek naar de situatie van de jonge bokjes in de geitenhouderij1. Onder andere het tv-programma Radar2 en het radioprogramma Nieuwsweekend3 besteedden er aandacht aan. In het rapport is de schrijnende situatie van de pasgeboren bokjes weergegeven. In de eerste helft van 2020 werd 80-90% van de jonge bokjes binnen twee weken gedood omdat vanwege de Coronaepidemie de afzetmogelijkheden van vlees waren weggevallen. In mei had Een Vandaag er ook een reportage over met beelden van een handelaar die bokjes van 8 dagen naar de slachterij reed4. Omdat de geitenhouderij verhoogde kans op gezondheidsproblemen geeft, is er op dit moment een uitbreidingsverbod voor geitenhouderijen. De provincie wil binnenkort de omgevingsverordening wijzigen om het geitenhouders mogelijk te maken de stal uit te breiden met plaatsen voor pasgeboren bokjes.5 De Partij voor de Dierenfractie ziet liever dat de sector geen toestemming krijgt om weer uit te breiden. Een alternatief voor de korte termijn is de volwassen dieren minder vaak drachtig te laten worden, en een deel van de ruimte voor oudere dieren om te bouwen naar ruimte voor de jonge dieren. In het voorjaar stelden we ook al vragen over het gebrek aan stalruimte voor pasgeboren lammetjes.6 Volgens het college7 heeft een geitenhouderij in de ideale situatie ruimte voor 30 % C2 opfokgeiten (30% van het aantal volwassen C1 dieren) en 60 % C3 lammeren (waarvan de helft C2 wordt, en de andere helft geslacht wordt). Jaarlijks worden dan ook 30% volwassen C1 dieren geslacht. In onze eerdere vragen was het aantal C1, C2, en C3 plaatsen in Gelderland weergegeven. Inmiddels zijn die aantallen (ondanks de bouwstop) alweer gestegen (zie de bijlage). Als we rekenen met de formules van de provincie zijn er over het geheel ongeveer 7.800 C2 plaatsen te veel, en 51.000 C3 plaatsen te weinig. Kijken we naar de individuele bedrijven dan is er bij bedrijven met een tekort een tekort van ongeveer 12.600 C2 plaatsen en 56.000 C3 plaatsen, en bij bedrijven met een overschot een overschot van ongeveer 20.400 C2 plaatsen en 5.000 C3 plaatsen. Volgens de plannen van de provincie zullen er dus 56.000 C3 plaatsen (voor jonge dieren) bij moeten komen. Het is de vraag of daar stikstofruimte voor is. Het is ook de vraag wat er met het vlees van de geslachte dieren zou moeten gebeuren, omdat er nu al geen vraag naar is. In de uitzending van EenVandaag wordt 20% genoemd in plaats van 30%. Als de provincie zou rekenen met 20%, dan zouden geen 56.000 extra plaatsen nodig zijn, maar 32.000. Er zou helemaal geen uitbreiding nodig zijn, als C1 en C2 plaatsen omgezet zouden kunnen worden in C3 plaatsen.
1 https://www.eyesonanimals.com/...
2 https://radar.avrotros.nl/uitz...
3 https://www.nporadio1.nl/nieuw...
4 https://eenvandaag.avrotros.nl...
5 https://www.gelderland.nl/omge...
6 https://gelderland.stateninfor...
7 https://gelderland.stateninfor...

Vraag 1:
Hoe is de situatie van de geitenhouders met betrekking tot de Wet Natuurbescherming ? (Bijvoorbeeld : voor hoeveel plaatsen in de verschillende categorieën C1, C2, C3 is er een vergunning ?)

Antwoord:
Voor de Wet Natuurbescherming is de stikstofdepositie van initiatieven op N2000 van belang. Wij houden niet bij van welke verschillende bronnen die depositie afkomstig is binnen één bedrijf. Op agrarische bedrijven zijn vaak meerdere bronnen aanwezig die geregeld van samenstelling kunnen wijzigen. Wij maken in het toezicht op agrarische bedrijven daarom geen onderscheid in geitencategorieën.

Geitenhouderijen, zoals iedere initiatiefnemer, moeten volgens vaste jurisprudentie in beginsel zelf zorgen voor de benodigde vergunningen. Binnen de beleidskaders Stikstof is uitbreiding in beginsel mogelijk.

Vraag 2:
Wanneer gaat u handhaven als er geen geldige Wnb-vergunning is?

Antwoord:
Als wij in het toezicht kennisnemen van activiteiten die ten onrechte niet over een geldige Wnbvergunning beschikken zullen wij daar volgens de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) tegen optreden. Onze acties stemmen wij indien nodig met gemeenten en omgevingsdiensten af om zo de geëigende maatregelen te nemen.

Vraag 3:
Heeft u onderzocht welk deel van de bedrijven daadwerkelijk zal kunnen of willen uitbreiden? Zo ja, wat is de uitkomst?

Antwoord:
Nee, wij hebben niet onderzocht welk (deel) van de bedrijven daadwerkelijk willen uitbreiden. Dit is een verantwoordelijkheid van de bedrijven zelf. Bij een uitbreiding zal de geitenhouder zich uiteraard wel moeten houden aan de wet- en regelgeving.

Het geitenmoratorium is destijds ingesteld met het oog op de volksgezondheid.

Vraag 4:
Is het mogelijk het ombouwen (in plaats van uitbreiden) te stimuleren, bijvoorbeeld door geen leges te rekenen bij het aanpassen van de vergunningen, en door een adviseur de mogelijkheden te laten inventariseren?

Antwoord:
Artikel 2.34 van de Omgevingsverordening Gelderland maakt het ombouwen mogelijk, zolang het aantal gehouden dieren niet toeneemt (zie lid1, onderdeel d). Hiervoor is wellicht wel een gemeentelijke omgevingsvergunning nodig en eventueel een Wnb-toestemming. Niet elke wijziging of uitbreiding is per definitie Wnb-vergunningsplichtig. De Legesverordening provincie Gelderland 2020 biedt geen mogelijkheid voor vermindering of vrijstelling bij wijziging van een Wnb-vergunning. Leges zijn niet bedoeld om te sturen op de bedrijfsvoering van een ondernemer. Leges zijn bedoeld om de kosten die de overheid moet maken voor het afgeven van bijvoorbeeld een vergunning te dekken.

Bij de verdere uitwerking van het programma Agrifood ‘De toekomst van de Boer’ wordt gekeken naar de inzet van onze instrumenten om onze doelen van dit programma te halen. Hieronder vallen bijvoorbeeld keukentafel gespreken met een onafhankelijke adviseur.

Vraag 5:
Wat zijn de mogelijkheden als er meer gebruik gemaakt zou worden van weidegang? Geeft dat ruimte? Welke vergunningen zijn ervoor nodig?

Antwoord:
Geiten zijn van nature meer knabbelaars dan grazers. Dit maakt het voor een geit moeilijk om gras in een wei op te nemen. Weiden geeft risico’s voor maagdarmwormenbesmetting en opname en benutting van vers gras. Daarom kiezen veel geitenhouders niet voor weidegang in hun bedrijfsvoering.

In de geldende Omgevingsverordening is het in gebruik nemen van weidegrond ten behoeve van uitloop niet toegestaan. De reden is dat door de uitloop de afstand tussen het houden van geiten en omwonenden verkleind kan worden. In verband met de gezondheidsrisico’s voor omwonenden is dit niet wenselijk. Weidegang (beweiden) beschouwen wij vergunningsvrij voor de Wnb, hiervoor is dus geen Wnb- vergunning nodig. Voor beweiding is de mestwetgeving in het algemeen maatgevend.

Vraag 6:
Wat zal er volgens de provincie gebeuren bij bedrijven die juist te veel C3 plaatsen hebben?

Antwoord:
Hiervoor zijn diverse mogelijkheden en het is de keuze van de geitenhouderijen om te bepalen hoe zij deze plaatsen al dan niet benutten binnen de wet- en regelgeving en passend binnen hun bedrijfsvoering.

Vraag 7:
Kunt u het percentage van 30% (C2) onderbouwen? Is het niet mogelijk de volwassen dieren langer aan te houden, en minder vaak drachtig te laten worden?

Antwoord:
Het geboren worden van lammeren is voor het grootste deel nog een natuurlijk proces. Gemiddeld werpt een geit 2 lammeren en is de verhouding van het geslacht van deze lammeren 50% geitjes en 50% bokjes. Daarnaast is het aantal geboren lammeren afhankelijk van het aantal geiten dat geïnsemineerd worden op een bedrijf. Het percentage van het aantal geiten die geïnsemineerd wordt hangt onder meer af van de bedrijfscyclus (duurmelken of niet). Per jaar kunnen de aantallen in de categorieën C2 en C3 afhankelijk van het natuurlijk proces en het percentage geïnsemineerde geiten daarom fluctueren.

Bij brief van 17 december 2019 (PS 2019-910) hebben wij u geïnformeerd over de voortgang van het vestigings- en uitbreidingsverbod voor geitenhouderijen. Hierin stelde wij voor met het oog op dierenwelzijn om ruimte te bieden voor lammeren die geboren zijn op het eigen bedrijf en nog geen 61 dagen oud zijn (C3). Als bijlage bij deze brief hebben wij een rekenvoorbeeld gevoegd om aan te geven wat ons voorstel in de praktijk kan betekenen. In dit voorbeeld zijn wij uitgegaan van 30% C2 categorie opfokgeiten als een gemiddelde over de jaren heen bij melkgeitenhouderijen. Deze 30% is gebaseerd op het sectorplan (november 2017) om het welzijn van geitenbokjes te verbeteren en dat opgesteld is door de geitensector in opdracht van het ministerie LNV. In dit plan wordt uitgegaan van een jaarlijks vervanging van 30% van het aantal melkgeiten om een voldoende melkproductie te behouden op een melkgeitenhouderij. Voor deze jaarlijkse vervanging zijn dus evenveel opfok(melk)geiten (C2) nodig.

Afhankelijk van de wijze van bedrijfsvoering kan de frequentie van het vervangen van melkgeiten anders zijn. In de biologische melkgeitenhouderijen is de vervangingscyclus van melkgeiten meestal lager dan bij de gangbare melkgeitenhouderijen.

Vraag 8:
Is de C2 en C3 ruimte wel tegelijkertijd nodig? Het gaat in één jaar toch om dezelfde dieren?

Antwoord:
De systematiek van de omgevingsvergunning leidt ertoe dat er op basis van categorieën (C1, C2 en C3) vergunning moet worden aangevraagd. Lammeren jonger dan 60 dagen die geboren en opgefokt worden tot melkgeit op het moederbedrijf zijn inderdaad in een jaarcyclus zowel C3 als C2 geit. De gewenste C3 en C2 ruimte is mede afhankelijk van de gekozen aflammercyclus, periodiek (met één lammerseizoen) of verschoven (hele jaar door). Daarnaast kiezen sommige geitenhouders om lammeren op te laten fokken (C3 en C2) of af te laten mesten (C3) op een gespecialiseerd bedrijf. Ook dit heeft effect op de gewenste C3 en C2 ruimte op een bedrijf.

Vraag 9:
Bij grotere bedrijven wordt er soms voor gekozen om verschillende groepen in verschillende perioden van het jaar te laten aflammeren. Zijn dan wel 60% C3 plaatsen nodig?

Antwoord:
Wij verwachten van niet omdat in een dergelijke situatie minder lammeren gelijktijdig worden geboren.

In Actualisatieplan 7 wordt daarom voorgesteld de geitenhouderijen de mogelijkheid te geven het hele jaar door lammeren, die op het eigen bedrijf geboren zijn tot 60-dagen op het bedrijf aan te houden zonder dat deze meetellen voor het ingestelde geitenmoratorium.

Vraag 10:
Is er inderdaad een tekort van 56.000 plaatsen voor jonge bokjes? Zo nee, hoe groot is het tekort dan?

Antwoord:
Of er spraken is van een tekort aan C3 plaatsen voor bokjes is afhankelijk van de aflammercyclus en van de overige wijze van bedrijfsvoering bij de geitenhouderijen zoals is aangegeven bij de beantwoording van de vorengaande vragen.

Het is de verantwoordelijkheid van de geitenhouder om op de juiste manier om te gaan met zijn vergunde ruimte en zo nodig zijn bedrijfsvoering hierop aan te passen binnen de wet- en regelgeving.


Gedeputeerde Staten van Gelderland
John Berends - Commissaris van de Koning
Pieter Hilhorst - secretaris