Schrif­te­lijke vragen omge­vings­ver­or­dening, actu­a­li­satie 8


Indiendatum: 10 jun. 2021

Vragen over actualisatie 8 van de omgevingsverordening. Vragen over de kaartwijzigingen:

  1. In kaart 2 "Regels Glastuinbouw" is er gebied "glastuinbouwontwikkelingsgebied ERBIJ".

    Is dit voor sierteelt of voor eetbare gewassen? Is het technisch mogelijk sierteelt uit te sluiten? Heeft de ondernemer om de mogelijkheid voor sierteelt gevraagd?

  2. In kaart 3 “Regels Natuur” is er een groot gebied “Gelders Natuurnetwerk ERAF” ten oosten van Arnhem in de IJsseluiterwaarden. Mogelijk heeft het met Rivierklimaatpark IJsselpoort te maken. Op basis van welke regels m.b.t. wijzigingen van de begrenzing is dit mogelijk? Hoe wordt aan de voorwaarden bij die regels voldaan?

  3. In kaart 3 “Regels Natuur” zijn er gebieden "verkenningsgebied voorwaarden natuurbegraven in Gelders natuurnetwerk ERBIJ". Tussen de Molenweg en de Soerenseweg wordt een ven (?) aangemerkt als verkenningsgebied natuurbegraven. Waarom? Wie heeft erom gevraagd?

  4. Als de vorige vraag, ten zuiden van Hoog Soeren.

  5. Als we zoeken op “Apeldoorn” vinden we de tekst

    “Uitbreiding van een zoekgebied in de omgeving Apeldoorn natuurbegraven omdat het gebied voldoet aan de criteria”

    en

    “Uitbreiding van het verkenningsgebied voorwaarden natuurbegraven in Gelders natuurnetwerk in de gemeente Apeldoorn: hierdoor is het mogelijk om agrarische grond in het Gelders natuurnetwerk om te vormen naar natuur met een natuurbegraafplaats. Het gebied voldoet aan de criteria voor verkenningsgebied natuurbegraven.”

    Wordt het zoekgebied nu uitgebreid “omdat het gebied voldoet aan de criteria” of omdat iemand om uitbreiding heeft gevraagd? Als het gebied voldoet aan de criteria, waarom maakt het dan al niet vanaf het begin deel uit van de kaart verkenningsgebied natuurbegraven?

  6. In kaart 5 “Technische wijzigingen 1” is er een groot gebied "Nationale landschappen buiten Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone en Nieuwe Hollandse Waterlinie ERAF" ten westen van Westervoort. Wat is de reden? Waarom is deze grote wijziging niet even toegelicht? Is dit nog wel een “technische” wijziging?

  7. Waarom wordt de Knoevenoordstraat, Brummen uit het Nationale Landschap geschrapt?

  8. In kaart 6 “Technische wijzigingen 2” levert een vinkje bij "dijktraject 1 op 30 jaar" in de legenda "dijktraject 1 op 30 (NIEUW)" op maar ook "dijktraject 1 op 300 (NIEUW)". Een vinkje bij "dijktraject 1 op 300 jaar" levert niets op. Dit is nog een foutje?

    Vragen over de tekst:
  9. Volgens artikel 5.26 mag een ganzenrustgebied niet kleiner worden dan 500 ha.

    Voor onze fractie is belangrijk dat de afzonderlijke gebieden niet veel groter dan 500 ha zijn, omdat er anders relatief veel gebied geschrapt zou kunnen worden.

    Hoe kunnen we in de kaarten nu zien wat de afzonderlijke gebieden zijn (die ieder tot 500 ha verkleind kunnen worden), en wat er minimaal zal overblijven?

    Zijn de ganzenrustgebieden in de uiterwaarden van de Waal bijvoorbeeld afzonderlijke gebieden, die ieder niet kleiner dan 500 ha mogen worden?

  10. “Voor grondwaterbescherming gebruiken we alleen nog rechtstreeks werkende regels voor bedrijven en inwoners. De instructieregels aan gemeenten verdwijnen.”

    Zijn er andere regels waarbij dat zou kunnen? Waarom wordt het voor die regels niet gedaan?

  11. Recent werd besloten om de invoering van de omgevingswet opnieuw uit te stellen, nu tot 1 juli 2022. Heeft dit gevolgen voor de vaststellingsprocedure voor actualisatie 8?

  12. Op bladzijde 10 staat “de nieuwe regel houdt in dat elke ontwikkeling die hier plaatsvindt, moet bijdragen aan versterking van de kwaliteiten”. Het nieuwe artikel 5.20 spreekt echter van “niet significant aangetast” waar het de kernkwaliteiten betreft. Zijn deze twee formuleringen niet met elkaar in tegenspraak?

  13. Op bladzijde 15 staat “bedrijven waarvan de kas een ondersteunende functie is […] worden niet meer belemmerd in hun ontwikkeling.” Wel wordt het toepassingsbereik van de regels over glastuinbouw verscherpt van 2,5 naar 2 hectare voor een glasopstand.

    • Vallen schuren, WKK-installaties e.d. ook onder de 2-hectarenregeling?
    • Wat wordt bedoeld met “worden niet meer belemmerd in hun ontwikkeling”?
    • Neventak of ondersteunende glasopstanden worden niet genoemd in paragraaf 5.7.4. Betekent dit dat beleid voor vestiging van deze bedrijven geheel wordt overgelaten aan gemeenten?
    • Kan dat dit opnieuw leiden tot versnippering van glastuinbouw?

  14. Artikel 2.1 (regionale woonagenda) is gewijzigd naar artikel 5.50. Verschillen:
    • lid 1: GS samen met gemeentebesturen ipv scheiden rollen opstellen en vaststellen;
    • lid 2 benoemt concrete doelen ipv toets aan actueel beleid;
    • lid 3 spreekt van tussentijdse actualisatie woonagenda ipv toetsing bestemmingsplannen bij als woonagenda niet actueel is.

    Artikel 2.53 (uitbreiding in GO) is gewijzigd naar artikel 5.20. Verschillen:

    • het onderscheid meer-minder dan 30% uitbreiding vervalt;
    • verankering van de versterking van kernkwaliteiten in bestemmingsplan wordt niet meer expliciet vereist in omgevingsplan;
    • kernkwaliteiten "substantieel versterkt" is veranderd in "niet significant aangetast".

    De transponeringstabel geeft niet aan of er van een verplaatsing of een beleidsrijke wijziging sprake is.

    Moeten deze wijzigingen niet beleidsrijk genoemd worden? Zijn er nog meer van deze wijzigingen? Kan de transponeringstabel aangevuld worden met deze informatie? Moeten belanghebbenden en burgers hiervan op de hoogte worden gesteld?

  15. Hoeveel deelnemers waren er bij de informatiebijeenkomsten op 27 mei en 1 juni?

Indiendatum: 10 jun. 2021
Antwoorddatum: 10 jun. 2021

Antwoord 1:
We kunnen vanuit de Wet ruimtelijke ordening alleen regels stellen die een ruimtelijke relevantie hebben. Het voorschrijven van de teelten vanuit de verordening hoort daar niet bij en is daarmee niet toegestaan.

Antwoord 2:
Herbegrenzingen van het Gelders natuurnetwerk zijn mogelijk indien de kwaliteit en oppervlakte van het Gelders natuurnetwerk niet achteruitgaan en de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden. De juridische grondslag hiervan wordt onder de Omgevingswet artikel 7.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Tot die tijd is de grondslag artikel 2.10.5 onder a van het Barro. Binnen het project Rivierklimaatpark is 83 hectare landbouwgrond omgezet naar natuur.

Antwoord 3:
Het is niet de bedoeling geweest dit gebied aan te wijzen als verkenningsgebied natuurbegraven. Dit is een fout op de kaart die wij herstellen. Alle wijzigingen, zowel in de regels als op de kaart, worden vermeld in het Actualisatieplan.

Antwoord 4:
Ook dit betreft een fout op de kaart. Het is niet de bedoeling geweest dit gebied aan te wijzen als verkenningsgebied natuurbegraven. Wij herstellen deze fout op de kaart.

Antwoord 5:
De gemeente Apeldoorn heeft om de uitbreiding gevraagd en de aanpassing is mogelijk omdat het gebied aan de criteria voldoet. Het gebied was niet beoordeeld omdat het zoekgebied nieuwe natuur (landbouwgrond) betrof. De GIS-bewerkingen die zijn gedaan om de geschiktheid als verkenningsgebied natuurbegraven te beoordelen zijn alleen maar
toegepast op natuurgronden binnen het GNN en niet op zoekgebieden natuur binnen het GNN, die over het algemeen nog in gebruik zijn als landbouwgrond.

Antwoord 6:
Het gaat hier om wijzigingen die ontstaan door wijzigingen in het GNN, GO en/of Nieuwe Hollandse waterlinie. Een wijziging in een van deze thema’s, moeten we ook doorvoeren in het werkingsgebied voor Nationale landschappen buiten het GNN, GO en NHW. Dit is dus geen wijziging in de begrenzing van de nationale landschappen zelf, zoals nogal eens wordt verondersteld. Het is puur een technische correctie, omdat er ooit voor is gekozen om voor de nationale landschappen alleen die delen extra te benoemen die buiten het beschermingsregime van GNN, GO en NHW liggen. In dit specifieke geval komt de wijziging door de toevoeging van het terrein ten westen van Westervoort aan het GNN (en komt
daardoor te vervallen uit het werkingsgebied van Nationale landschappen buiten het GNN, GO en NHW).

Antwoord 7:
Er zijn geen wijzigingen aan het Nationaal Landschap gedaan. Mogelijk dat de vraag betrekking heeft op het werkingsgebied van Nationaal landschap buiten GNN, GO en NHW. In dat geval, zie hierboven.

Antwoord 8:
Klopt. Dit moet aangepast worden zodat bij het aanvinken de bijpassende keringen op kaart en in de legenda worden weergegeven.

Antwoord 9:
De kaart met de ganzenrustgebieden bij versie 8 van de Omgevingsverordening voorziet niet in een begrenzing van deelgebieden. De in de praktijk gehanteerde indeling maakt gebruik van grote deelgebieden (enkele duizenden hectares groot) die dus in theorie met honderden hectares verkleind zouden kunnen worden voordat de ondergrens van 500 hectare bereikt wordt. we verwachten niet dat dergelijke grote ontwikkelingen binnen ganzenrustgebieden plaatsvinden en we zullen de ontwikkelingenmonitoren.. Daarnaast bekijken wij nog andere mogelijkheden, bijvoorbeeld het opdelen van het ganzenrustgebied in kleinere deelgebieden of het onderscheiden van kernen binnen het ganzenrustgebied die minimaal500 ha groot moeten blijven. Als we besluiten dat een andere oplossing geschikter is voor de bescherming van de ganzenrustgebieden, leggen wij dit voor in een volgende actualisatieronde van de omgevingsverordening.

Antwoord 10:
De Omgevingswet gaat uit van het subsidiariteitsbeginsel, waarbij het reguleren van activiteiten binnen de fysieke leefomgeving primair een gemeentelijke taak en bevoegdheid is. Provinciale belangen kunnen met de omgevingsverordening geborgd worden, hetzij via rechtstreeks-werkende regels (ge- en verboden met een vergunning- of meldingsplicht), hetzij via instructieregels voor de inhoud en toelichting van het omgevingsplan.

De keuze tussen deze twee typen regels wordt ingegeven door:
- de aard van het te regelen onderwerp: gaat het om gedetailleerde regulering van concrete activiteiten (met name bij milieubelastende bedrijfsmatige activiteiten) of meer om het laten meewegen van provinciale belangen (bescherming van
bijzondere gebieden) binnen de bredere, integrale belangenafweging op gemeentelijk niveau;
- de vraag naar wie in aanmerking komt als bevoegd gezag: gedeputeerde staten (bij rechtstreeks-werkende regels) of burgemeester en wethouders (bij vergunningverlening op basis van het omgevingsplan).

Vanuit het subsidiariteitsbeginsel is gekeken of rechtstreeks-werkende regels in (met name hoofdstuk 3 van) de huidige omgevingsverordening konden worden omgezet naar instructieregels, waarbij dus het bevoegd gezag zou overgaan van provincie naar de gemeenten. Die afweging heeft uiteindelijk niet geleid tot het omzetten van regels van het ene type naar het andere type. Deze continuïteit heeft vooral te maken met de aard van het onderwerp en de voorkeur voor gedeputeerde staten als het bevoegd gezag, mede gelet op de in de Omgevingswet en onderliggende regelgeving aan de provincie en vaak ook concreet aan gedeputeerde staten toebedeelde taken en bevoegdheden.

De beweging van instructieregel naar rechtstreeks-werkende regel ligt minder voor de hand en druist ook in tegen het leidende principe van de Omgevingswet. Consequentie daarvan zou zijn dat voor meer onderwerpen dan nu het geval is, er op twee lagen regels gesteld worden – namelijk door de omgevingsverordening en door het omgevingsplan –, iets wat voor burgers en bedrijven minder overzichtelijk is dan alleen de regels van het omgevingsplan. Bij regels op twee niveaus is er ook een grotere kans op tegenstrijdigheden en minder goed zicht op een integrale afweging en maatwerk. Een andere consequentie is dat gedeputeerde staten vaker bevoegd gezag worden en verantwoordelijk worden voor het verlenen van vergunningen, het afhandelen van meldingen en het toezicht op de naleving. Alleen voor het onderwerp grondwaterbescherming is die keuze wel bewust gemaakt, vanwege het specifieke stelsel van de grondwaterbeschermingsregels in relatie tot de huidige landelijke wetgeving en de nieuwe situatie onder de Omgevingswet. Grondwaterbescherming en expliciet het stellen van regels ten behoeve daarvan in een milieu-/omgevingsverordening, is een provinciale taak. Dat er met betrekking tot die taak in de huidige situatie sprake is van instructieregels aan de gemeenten vloeit voort uit de Wet milieubeheer, waarin is bepaald dat de provincie geen rechtstreeks werkende (milieu)regels mag stellen ten aanzien van omgevingvergunningplichtige inrichtingen. Op basis daarvan hebben de gemeenten zogezegd noodgedwongen een rol als bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning; de oplossing ligt in de verplichting aan gemeenten (instructieregel) om de door ons bepaalde voorschriften aan de vergunningen te verbinden. Die huidige beperking uit de Wet milieubeheer komt niet terug onder de Omgevingswet.

Daarnaast geldt dat de grondwaterbeschermingsregels onder de Omgevingswet in de huidige vorm niet kunnen worden voortgezet door het vervallen van het begrip ‘inrichting’. Het onderscheid tussen binnen en buiten inrichtingen, hetgeen nu op basis van de huidige wetgeving het onderscheid bepaald tussen het bevoegd gezag (gemeente of provincie), kan niet blijven bestaan. Dat brengt noodgedwongen een bevoegdheidsverschuiving met zich mee richting gemeenten (voor wat betreft de huidige provinciale taak buiten inrichtingen) of richting provincie (voor wat betreft de huidige gemeentelijke taak binnen inrichtingen). Vanwege het grote belang van drinkwater van voldoende kwaliteit (als provinciale taak) en vanuit het
oogpunt van effectiviteit en efficiëntie, is gekozen voor dat laatste oftewel voor rechtstreekswerkende regels in de omgevingsverordening onder de bevoegdheid van de provincie; in plaats van instructieregels aan gemeenten ten behoeve van grondwaterbeschermingsregels in alle omgevingsplannen.

Antwoord 11:
Zie Statenbrief PS 2021-441.

Antwoord 12:
Nee, deze twee formuleringen zijn niet in tegenspraak met elkaar. De hoofdregel in de Groene ontwikkelingszone (opgenomen in artikel 5.19) is dat elke ingreep moet bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten. Daar is één uitzondering op geformuleerd (opgenomen in artikel 5.20), namelijk voor de uitbreiding van grondgebonden veehouderij,
landgoederen en extensieve openluchtrecreatie. Deze activiteiten hoeven alleen te worden ingepast zodat de kernkwaliteiten niet significant worden aangetast, omdat deze activiteiten naar hun aard al goed passen in de Groene ontwikkelingszone.

Antwoord 13:

  • Nee, het gaat om glasopstand.
  • Voorheen werden glastuinbouwbedrijven belemmerd doordat vanaf 2.500 m2 een glasopstand alleen onbelemmerd kan doorgroeien in een glastuinbouwontwikkelingsgebied.
  • Nee, de fysieke verschijningsvorm van een glasopstand is leidend niet het doel waarvoor de kas wordt ingezet (neventak of ondersteunend).
  • Nee

Antwoord 14:
Wat betreft de Groene ontwikkelingszone. De beleidsrijke wijzigingen in de regels met betrekking tot de Groene ontwikkelingszone zijn samengevat in het Actualisatieplan onder het kopje 'Motivering wijziging Natuur'. Hier is aangegeven wat de nieuwe regel inhoudt. Via de transponeringstabel is inzichtelijk gemaakt waar de regels over de GO te vinden zijn. De transponeringstabel gaat niet in detail in op alle wijzigingen. Wat betreft het onderdeel natuur zijn behalve de regels over de Groene ontwikkelingszone geen beleidsinhoudelijke wijzigingen beoogd, enkel technische omzettingen. De voorgestelde wijzigingen bevatten geen nieuw beleid, door deze artikelen op te nemen steunen wij de gemeenten in de rol en instrumenten die ze al hadden op dit vlak en waar we ze in overleg en gesprekken al toe aanzetten om in te zetten. Naast projectontwikkelaars en gemeenten zien wij geen belanghebbende of burgers die rechtstreeks met deze wijzigingen te maken krijgen.

Antwoord 15:
Voor de eerste sessie hebben 30 deelnemers zich aangemeld bij de tweede sessie 25 deelnemers. Bij de eerste sessie waren 23 deelnemers aanwezig en bij de tweede sessie 14 deelnemers.