Vragen Nieuwe WRO en Weide­vo­gel­ge­bieden


Indiendatum: jan. 2009

» deze vragen op de website van de provincie

In de WRO-agenda is in 2008 aangegeven dat voor diverse thema’s, onder andere weidevogel- en ganzengebieden, waardevolle landschappen, en stiltegebieden, slechts zou worden volstaan met het instrument “reactieve aanwijziging”.

Onze fractie vond en vindt dit onvoldoende. Bij de behandeling in de commissie RWM op 5 maart 2008 was ons standpunt: “De PvdDieren is blij met de actievere inzet voor bijvoorbeeld de EHS, maar is er met de GMF niet gerust op dat wij er al zijn. De fractie stelt voor te bekijken wat de andere provincies doen en waar erop aangesloten kan worden. De PvdDieren vindt dat meer gebruik moet worden gemaakt van de verordening, omdat de provincie onvoldoende zicht blijkt te hebben op wat in bestemmingsplannen is geregeld. Tot slot vraagt de PvdDieren wat het vervolgtraject is na vaststelling van dit voorstel.”

Bij de behandeling in PS op 19 maart 2008 was onze inbreng: “Dhr. Van der Veer (Partij voor de Dieren) constateert dat er nog een aantal zaken geregeld moeten worden. Er is nog nauwelijks aandacht voor verordeningen die opgesteld zullen moeten worden. De provincie heeft weinig ook inzicht in de bestemmingsplannen. Hij heeft kritiek op het beleid ten aanzien van LOG’s en het donkerte beleid. Hij vraagt GS voortvarend te beginnen met verordeningen en nieuw beleid.”

Inmiddels hebben wij een notitie mogen ontvangen over de kaders van de op te stellen verordening. Hierin staat onder andere: “Naast de behoefte om eventueel nieuwe onderwerpen in de verordening mee te nemen, is het ook voorstelbaar, dat wij bij nader inzien (in afwijking van de Wro-agenda) voor een aantal onderwerpen zouden willen afzien van regeling via verordening en in plaats daarvan aan u willen voorstellen een ander instrument in te zetten.

Bij dit soort keuzes speelt een rol, dat al sinds de parlementaire behandeling van de Wro discussies worden gevoerd over de mogelijkheden van inzet van de reactieve aanwijzing in relatie tot de verordening. Op dat punt hebben wij overigens advies gevraagd aan prof. mr. A.G.A. Nijmeijer van de Radboud Universiteit Nijmegen. Nadat dat is uitgebracht, zullen wij dat betrekken bij het nemen van beslissingen t.a.v. voornoemde keuzes.” Over weidevogel- en ganzengebieden, waardevolle landschappen, en stiltegebieden wordt nog niet gesproken.

Vragen

  1. Kent u het artikel in het Tijdschrift voor Omgevingsrecht “De reactieve aanwijzing in de Wet ruimtelijke ordening: ook bedoeld voor de handhaving van bestuurlijke afspraken? Enkele kanttekeningen bij een nieuw interventie-instrument.” van dr. H.J. de Vries en prof. mr. A.G.A. Nijmeijer dat in de provinciale bibliotheek te vinden is, en waarin vraagtekens worden geplaatst bij het gebruik van de reactieve aanwijziging?

    Hier staat onder andere in vermeld: “Wordt toch volstaan met het maken van bestuurlijke afspraken, dan lijkt ons uit de bedoeling van de reactieve aanwijzing te volgen dat deze niet kan worden ingezet om nakoming van de bestuurlijke afspraken in het kader van de gemeentelijke planologische besluitvorming (bestemmingsplan, beheersverordening of projectbesluit) in rechte af te dwingen”.
  2. Wat volgt uit het artikel volgens GS, over de bruikbaarheid van de reactieve aanwijzing (voor
    de beleidsthema’s waar dit instrument bij vermeld staat in de Wro agenda)?
  3. Heeft u het rapport “Ruimtelijke Bescherming Weidevogellandschap” gelezen, waarin de mogelijkheid voor het gebruik van de provinciale ruimtelijke verordening om de weidevogelgebieden te beschermen wordt beschreven?

    Hier staat onder andere in geschreven: “De reactieve aanwijzing reageert slechts op aan weidevogeldoelen strijdige ontwerpbestemmingsplannen, terwijl de pro-actieve aanwijzing weer een te ad hoc karakter zal dragen en teveel op een concrete gemeente gericht zal zijn. Voor een provinciebrede regeling die voldoet aan de afdwingbaarheidseis, gemeenten kan overrulen en aansluit op het bestaande provinciale weidevogelbeleid en de decentrale ILG-sturing zou gedacht kunnen worden aan een weidevogel-PRV of een provinciaal inpassingsplan. Inpassingsplannen worden echter gezien als tijdrovend, kostbaar en vanuit decentralisatie-optiek pas inzetbaar als alle andere middelen zijn uitgeprobeerd en geen of weinig resultaat hebben opgeleverd (Kistenkas 2007).

    Aldus blijft ons inziens de PRV over. Deze is betrekkelijk snel en goedkoop inzetbaar, kan locale overheden, NGO’s en burgers maatwerk bieden via een vrijstellings- en ontheffingsregime en heeft directe juridische binding voor een ieder. Burgers en/of NGO’s kunnen er een beroep op doen en gemeenten hebben zich eraan te houden.”.

    Op de oude website van Gelderland staat over weidevogels: “Nederland en ook Gelderland hebben in internationaal opzicht een grote verantwoordelijkheid voor weidevogels. Zo broedt bijvoorbeeld het merendeel van de West-Europese gruttopopulatie in Nederland en zijn de uiterwaarden een belangrijk broedgebied van de zeldzame kwartelkoning. De weidevogelstand gaat echter onrustbarend achteruit.”
  4. Waar staat op de nieuwe website het weidevogelbeleid omschreven?
  5. Bent u bereid deze grote verantwoordelijkheid voor de weidevogels te nemen, en de weidevogelgebieden ook via een opname in de provinciale ruimtelijke verordening te beschermen? Zo nee, waarom niet?

Luuk van der Veer
Lid Provinciale Staten van Gelderland
Partij voor de Dieren.

Indiendatum: jan. 2009
Antwoorddatum: 2 feb. 2009

» deze antwoorden op de website van de provincie

Inleiding:
In het kader van de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening hebben Provinciale Staten in maart 2008 de Wro-agenda vastgesteld. Deze Wro-agenda fungeert als verwezenlijkingsparagraaf behorende bij het streekplan Gelderland 2005 dat de status van provinciale structuurvisie heeft ingevolge de nieuwe Wro. In deze Wro-agenda is aangegeven welk Wro-instrument voor welk beleidsthema zal worden ingezet. Ten aanzien van de weidevogelgebieden (buiten de ehs) is in de Wro-agenda aangegeven dat wij ten behoeve van de bescherming van een aantal weide-vogelgebieden buiten de ehs inzetten op planbegeleiding en in het uiterste geval gebruik zullen maken van het geven van een reactieve aanwijzing. De heer Van der Veer is van mening dat hierdoor de weidevogelgebieden niet voldoende worden beschermd en pleit voor het opnemen een regeling in de provinciale verordening ruimte.

Vraag 1: Kent u het artikel in het Tijdschrift voor Omgevingsrecht “De reactieve aanwijzing in de Wet ruimtelijke ordening: ook bedoeld voor de handhaving van bestuurlijke afspraken? Enkele kanttekeningen bij een nieuw interventie-instrument.” van dr. H.J. de Vries en prof.mr. A.G.A Nijmeijer dat in de provinciale bibliotheek te vinden is, en waarin vraagtekens worden geplaatst bij het gebruik van de reactieve aanwijziging?
Hier staat onder andere in vermeld: “Wordt toch volstaan met het maken van bestuurlijke afspraken, dan lijkt ons uit de bedoeling van de reactieve aanwijzing te volgen dat deze niet kan worden ingezet om nakoming van de bestuurlijke afspraken in het kader van de gemeentelijke planologische besluitvorming (bestem-mingsplan, beheersverordening of projectbesluit) in rechte af te dwingen”.
Antwoord: Het genoemde artikel is ons bekend.

Vraag 2: Wat volgt uit het artikel volgens Gedeputeerde Staten, over de bruikbaarheid van de reactieve aanwijzing (voor de beleidsthema’s waar dit instrument bij vermeld staat in de Wro agenda)?
Antwoord: Nijmeijer c.s. zijn van mening dat het instrument reactieve aanwijzing alleen in uitzon-deringsgevallen kan worden toegepast. Het is een vangnet. Doorwerking van beleid dient niet door toepassing van reactieve aanwijzingen vorm te krijgen. Zij zijn voorstander van opnemen van beleid in de verordening, vooropgesteld dat het beleid voldoende kan worden geconcreti-seerd. De opvatting van Nijmeijer c.s. zijn gestoeld op de bestudering van de wettekst en de par-lementaire geschiedenis. Ook zij zijn van mening dat geen volstrekte helderheid is over de mogelijkheid van inzet van dit instrument. Zowel Nijmeijer c.s als wij zijn van mening dat die helderheid eerst geschapen zal worden op basis van jurisprudentie op dat punt.

Provinciale Staten hebben bij vaststelling van de Wro-agenda niet gekozen voor het opnemen in de verordening maar voor het zo nodig geven van een reactieve aanwijzing. De overweging hierbij was dat de doorwerking van beleid voor weidevogelgebieden buiten de ehs in het streekplan Gelderland ruim en m.n. kwalitatief geformuleerd is en derhalve moeilijk te con-cretiseren in de verordening. De gemeenten worden daarbij in het streekplan expliciet gevraagd om passende regelingen in hun bestemmingsplannen op te (blijven) nemen. Wij voegen daar nog aan toe dat, gezien de filosofie van de Wro (decentraal wat kan, centraal wat moet), de provincie, voor de weidevogelgebieden buiten de ehs en buiten de ruimtelijke hoofdstructuur, terughoudendheid moet betrachten bij de inzet van eigen Wro-instrumenten.

Daar waar in bestemmingplannen beleid wordt geformuleerd dat strijdig is met het streekplan-beleid zal gebruik kunnen worden gemaakt van het instrument van reactieve aanwijzing. Mocht geregeld blijken dat de gemeenten de bescherming van de weidevogelgebieden niet danwel onvoldoende regelen, danwel uit jurisprudentie duidelijk wordt dat de inzet van een recreatieve aanwijzing voor het afdwingen van dit beleid niet mogelijk is, bestaat de mogelijkheid om alsnog een stringenter instrument (w.o. de verordening) in te zetten.

Vraag 3: Heeft u het rapport “Ruimtelijke Bescherming Weidevogellandschap” gelezen, waarin de mogelijkheid voor het gebruik van de provinciale ruimtelijke verordening om de weidevogel-gebieden te beschermen wordt beschreven ?
Hier staat onder andere in geschreven :
“De reactieve aanwijzing reageert slechts op aan weidevogeldoelen strijdige ontwerpbestem-mingsplannen, terwijl de pro-actieve aanwijzing weer een te ad hoc karakter zal dragen en teveel op een concrete gemeente gericht zal zijn. Voor een provinciebrede regeling die voldoet aan de afdwingbaarheidseis, gemeenten kan overrulen en aansluit op het bestaande provinciale weide-vogelbeleid en de decentrale ILG-sturing zou gedacht kunnen worden aan een weidevogel-PRV of een provinciaal inpassingsplan. Inpassingsplannen worden echter gezien als tijdrovend, kost-baar en vanuit decentralisatie-optiek pas inzetbaar als alle andere middelen zijn uitgeprobeerd en geen of weinig resultaat hebben opgeleverd (Kistenkas 2007).
Aldus blijft ons inziens de PRV over. Deze is betrekkelijk snel en goedkoop inzetbaar, kan locale overheden, NGO’s en burgers maatwerk bieden via een vrijstellings-en ontheffingsregime en heeft directe juridische binding voor een ieder. Burgers en/of NGO’s kunnen er een beroep op doen en gemeenten hebben zich eraan te houden.”.
Antwoord: Het rapport is bekend en wordt betrokken bij een notitie die momenteel voor Gedeputeerde Staten wordt opgesteld over de bescherming van weidevogels.

Vraag 4: Op de oude website van Gelderland staat over weidevogels:
“Nederland en ook Gelderland hebben in internationaal opzicht een grote verantwoordelijkheid voor weidevogels. Zo broedt bijvoorbeeld het merendeel van de West-Europese gruttopopulatie in Nederland en zijn de uiterwaarden een belangrijk broedgebied van de zeldzame kwartelkoning. De weidevogelstand gaat echter onrustbarend achteruit.”
Waar staat op de nieuwe website het weidevogelbeleid omschreven?
Antwoord: Het weidevogelbeleid wordt op de nieuwe website niet apart genoemd. Weidevogels worden wel genoemd in het Streekplan Gelderland 2005 en de streekplanuitwerking “Kernkwaliteiten en omgevingscondities van de Gelderse Ecologische hoofdstructuur”. Deze plannen zijn te vinden op de website.

Vraag 5: Bent u bereid deze grote verantwoordelijkheid voor de weidevogels te nemen en de weidevogelgebieden ook via een opname in de provinciale ruimtelijke verordening te bescher-men? Zo nee, waarom niet?
Antwoord: Gezien de ruime formulering in het streekplan wat betreft weidevogelgebieden buiten de ehs en de expliciete vraag aan de gemeenten om voor een passende regeling zorg te dragen handhaven wij ons standpunt uit de Wro-agenda om zo nodig een reactieve aanwijzing te geven, en weidevogelgebieden (buiten de ehs) niet op te nemen in de Gelderse verordening ruimte. De volgende situaties zouden voor ons aanleiding kunnen zijn om ons standpunt te heroverwegen.

Wanneer blijkt dat wij vaak een reactieve aanwijzing moeten geven, dan gaat dat lijken op de doorwerking van beleid d.m.v. reactieve aanwijzingen en dat kan niet de bedoeling zijn. Ook zouden we tot een andere opvatting kunnen komen indien op grond van jurisprudentie blijkt dat inzet van een reactieve aanwijzing in dergelijke situaties niet mogelijk is. Zie ook de opvatting van Nijmeijer c.s. . De genoemde weidevogelnotitie (vraag 3) zou wellicht ook aanleiding kunnen zijn om ons beleid te heroverwegen.

Gedeputeerde Staten van Gelderland
C.G.A. Cornielje - Commissaris van de Koningin
H.M.D. Brouwer - secretaris

Wij staan voor:

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer