Vragen over omge­vings­ver­or­dening 4-2-21


Indiendatum: 4 feb. 2021

Bij de beeldvormende bijeenkomst op 3 februari 2021 was er onvoldoende tijd om alle vragen te stellen en te beantwoorden. De Partij voor de Dierenfractie heeft de volgende vragen nog schriftelijk ingediend:

  1. In het verleden werden de ingediende zienswijzen bij de griffie in een map voor de Statenleden ter inzage gelegd. Dit keer is dat niet gedaan. Onze fractie heeft verzocht om inzage, en heeft die mogelijkheid ook gekregen. We vermoeden dat ook de andere fracties van die mogelijkheid op de hoogte moeten worden gesteld, in verband met artikel 167 lid 3 van de provinciewet, en we zijn niet zeker of dat al is gebeurd. Is het inmiddels gebeurd?

  2. GS hebben een openbare reactienota opgesteld, met een samenvatting van de zienswijzen van organisaties, bedrijven en inwoners van Gelderland. Onze fractie heeft inzage in de zienswijzen gekregen.

    We verzoeken om ook een beknopte openbare samenvatting te maken van verzoeken, meldingen, etc. van organisaties, bedrijven etc. (met naam, zoals ook in de reactienota) die tot de wijzigingen in de verordening hebben geleid of er invloed op hebben gehad, en we verzoeken op grond van artikel 167 lid 3 van de provinciewet om inzage in die correspondentie. We verzoeken ook inzage in eventuele juridische adviezen.

    Onze fractie is met name geïnteresseerd in de wijzigingen m.b.t.:
    • een nieuw hoofdstuk met afweegkader en afwijkruimte: Hoofdstuk 1a (beoordelingskader);
    • aanpassing van de instructieregels Gelders natuurnetwerk;
    • vrijstelling op het verbod op uitbreiding tijdens het lammerseizoen voor geitenhouderijen;
    • mogelijk maken van bestrijden van de veldmuis;
    • vrijstelling vergunningplicht ontgrondingswerkzaamheden Kaderrichtlijn water (KRW);
    • natuurbegraven;
    • aanpassing beschermingsregels van weidevogelgebieden en rustgebieden voor ganzen en aanpassing begrenzing weidevogelgebieden;

  3. In de Statenbrief is op blz. 3 beschreven dat met deze wijziging onze regels passen binnen het door het Rijk gewenste beschermingsregime zoals voorgeschreven in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

    Wordt met de huidige regels (juridisch gezien) ook voldaan aan het Barro?

  4. Om de wijziging compleet door te voeren zijn we afhankelijk van de wijziging en aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, waarvoor onder andere een uitgebreide voorbereidingsprocedure nodig is en een advies van de Raad van State. Niet alle fracties zijn gelukkig met de Crisis- en herstelwet. Zou er ook een oplossing mogelijk zijn zonder daarvan gebruik te maken, bijvoorbeeld door als Provinciale Staten (tot de invoering van de nieuwe Omgevingswet) zelf te besluiten over activiteiten of ontwikkelingen van groot openbaar belang?

  5. De nieuwe verordening maakt meer maatwerk en flexibiliteit mogelijk, waarbij meer belangen tegen elkaar kunnen worden afgewogen. GS krijgen meer bevoegdheden voor wijzigingen. De verordening wordt daardoor complexer en het beleid wordt voor PS moeilijker te controleren. Een natuurgebied op de kaart waar niets mogelijk is, tenzij PS zelf een besluit nemen, is rustgevend voor statenleden. Een natuurgebied met veel mogelijkheden en afwegingsruimte, en bevoegdheden voor GS en colleges van B en W, geeft veel werk voor statenleden om agenda’s en besluiten van GS en B en W te controleren, om indien nodig nog op tijd te kunnen ingrijpen. We hebben in de toeslagenaffaire gezien waar het toe kan leiden, als ingewikkelde regelingen niet goed gecontroleerd kunnen worden, en als wetgeving zo complex is dat degenen die besluiten moeten nemen moeilijk kunnen overzien wat de gevolgen zullen zijn. In de beeldvormende vergadering op 3 februari was te zien dat statenleden over het huidige voorstel nog veel vragen hebben, ondanks dat al jaren aan de invoering van de nieuwe omgevingswet wordt gewerkt, en ondanks de trainingen en workshops.

    Is bij de nieuwe verordening de controleerbaarheid door PS een punt van overweging geweest?

  6. Is het mogelijk, bijvoorbeeld via een soort voorhangprocedure, besluiten van GS waarbij de nieuwe mogelijkheden van de verordening worden gebruikt, altijd eerst aan Provinciale Staten voor te leggen, totdat voldoende ervaring met de nieuwe verordening is opgebouwd?

  7. Wat is de status van de wijziging en aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet?

  8. In het rapport “Decentraal natuurbeleid onder de Wet natuurbescherming”, waarin een analyse is gedaan van de verordeningen van de provincies, is te lezen dat de Gelderse natuur nog niet optimaal beschermd is:

    Blz. 37 : “Via een klik op het begrip ‘kernkwaliteiten’ in de digitale versie van de verordening is een kaart met NNN, GNN en kernkwaliteiten beschikbaar. Die kernkwaliteiten zijn vaak tamelijk algemeen beschreven (bijv. voor landschap – zie hierna)”
    ‘De Omgevingsvisie 2018 (p.108) geeft aan: “Per saldo moet elke ontwikkeling een verbetering van de kernkwaliteiten in het Gelders Natuurnetwerk opleveren. In dat saldo zijn vergroting van de oppervlakte natuur en versterking van de ecologische samenhang belangrijke randvoorwaarden.” Of dit uitgangspunt juridisch is verankerd is onzeker en vraagt nader onderzoek.’


    Blz. 52 : “Kernkwaliteiten landschap zijn echter vaak niet of nauwelijks uitgewerkt. Voor bepaalde gebieden worden bijv. wel rust, ruimte en donkerte vermeld. Kernkwaliteiten omvatten echter ook ecosysteemdiensten zoals houtproductie (bijv. Kootwijk). Uiteindelijk bescherming is daarmee onduidelijk.”
    “Of kernkwaliteiten duidelijk genoeg zijn kan voor goede bescherming is de vraag.”
    “Elementen lijken veelal niet te behoren tot de wezenlijke kenmerken (kernkwaliteiten). Wel meer indirect vanwege het benoemen van ‘leefgebied’ van soorten die mede van elementen afhankelijk zijn dit kan voor praktijk te indirect zijn voor goede werking.”


    Blz. 65 : “Hoe dit doel behaald zal worden is maar ten dele uitgewerkt. Het Actieplan van maatschappelijke partijen gaat nog wat verder, maar de provincie heeft die doelstelling niet expliciet overgenomen.”
    “Een heldere koppeling tussen ambities en maatregelen ontbreekt echter. Ook is niet goed duidelijk in hoeverre de verschillende instrumenten succesvol worden ingezet.”

    Blz. 104 : “Formuleringen zijn echter algemeen. Geen relatie met de GSvI. Andere soorten krijgen geen aandacht.

    Is de verordening aangepast naar aanleiding van de opmerkingen die in het rapport staan, om de Gelderse natuur goed te beschermen? Zo nee, wanneer gaat dat gebeuren? Wanneer worden de kenwaarden voldoende specifiek en meetbaar geformuleerd, zodat een zorgvuldige beoordeling gemaakt kan worden van nieuwe activiteiten en ontwikkelingen in het GNN?

    Zijn de ecologische gevolgen van de voorgestelde wijziging om nieuwe activiteiten en ontwikkelingen in het Gelders natuurnetwerk toe te staan in kaart gebracht? Zo ja, wat zijn die gevolgen?

  9. Wat is de maximale ruimte voor nieuwe activiteiten en ontwikkelingen die op basis van de gewijzigde regels wordt toegestaan?

  10. Hoe wordt gewaarborgd dat er geen nadelige gevolgen voor de kernwaarden van het GNN optreden als gevolg van de cumulatieve effecten van meerdere activiteiten en ontwikkelingen die afzonderlijk mogelijk worden gemaakt op basis van de gewijzigde regels?

  11. Hoe wordt gewaarborgd dat er geen nadelige gevolgen optreden als gevolg van opeenvolgende besluiten over nieuwe ontwikkelingen, waarbij telkens een klein beetje natuur verloren gaat?

  12. Waarom is de aanduiding GNN of GO van veel weidevogelgebied en ganzenrustgebied verwijderd? Wat betekent dit in de praktijk, bijvoorbeeld voor de bescherming, ontwikkeldoelen of subsidiemogelijkheden?

  13. Van hoeveel ha weidevogelgebied en ganzenrustgebied is de aanduiding GNN of GO verwijderd?

  14. Volgens artikel 2.51b mag een ganzenrustgebied niet kleiner worden dan 500 ha. Kunt u in een tabel aangeven hoe groot de afzonderlijke ganzenrustgebieden nu zijn en met hoeveel ha en welk percentage de ganzenrustgebieden verkleind zouden kunnen worden?

  15. Is de doorwerking van de weidevogelgebieden naar de bestemmingsplannen goed geregeld? (Wat betreft de inhoud van de bestemmingsplannen, en de termijn waarop e.e.a. geregeld moet zijn.)

  16. In de toelichting stond en staat "Voor delen van de Groene ontwikkelingszone die ook weidevogel- en rustgebied voor winterganzen zijn, is vooral een conserverend beleid van kracht, gericht op het behoud van openheid. Hier ligt geen ontwikkelingsdoelstelling." Hoe worden de openheid en andere kwaliteiten beschermd nu de aanduiding GO of GNN van de ganzenrustgebieden en weidevogelgebieden worden verwijderd? Is het inderdaad wel zo, dat voor delen van GO die ook weidevogelgebied en ganzenrustgebied zijn, er nergens ontwikkeldoelstellingen golden?

  17. Bij zienswijze 81 wordt voorgesteld het verbod op windmolens in weidevogelgebieden ook voor een strook om het gebied te laten gelden, omdat immers de windmolens ook op enige afstand invloed hebben. De reactie is “Wanneer buiten een weidevogelgebied handelingen plaatsvinden die een duidelijk negatief effect hebben op de broedvogels dan is daar een ander instrument voor. De initiatiefnemer dient namelijk in dat geval een ontheffing in het kader nog de Wet Natuurbescherming aan te vragen.” Is het niet veel duidelijker, overzichtelijker en goedkoper voor alle betrokkenen, als duidelijk is dat bepaalde activiteiten een negatief effect hebben, ook op bepaalde afstand, om dat op de kaart vast te leggen (eventueel totdat er alternatieven zijn gevonden en PS de kaart aanpassen)?

  18. In het voorstel worden windmolens in ganzenrustgebieden niet langer uitgesloten. Kunnen er voor het plaatsen van een windmolen tegenprestaties worden verlangd t.b.v. natuur en landschap? Zo ja, wordt dat gedaan? Is het mogelijk als tegenprestatie te verlangen dat op agrarische percelen in de omgeving met een bepaald oppervlak voortaan biologisch wordt geboerd?

  19. De methode van inundatie die de provincie wil toestaan om veldmuizen te verdrinken veroorzaakt dierenleed op grote schaal. Heeft de provincie alternatieven overwogen, en preventieve maatregelen ("Het aantrekkelijk maken van een gebied voor roofvogels en uilen worden internationaal gezien als een kansrijke maatregel."), die bijvoorbeeld in onderstaande artikelen worden genoemd?

  20. In de reactienota staat op blz. 9 “De daartoe opgestelde voorstellen/uitwerkingen zijn door de provincie geaccordeerd.”. Wat was de grondslag om deze voorstellen te kunnen accorderen?

  21. In artikel 2.46 lid 1 onder j wordt geschreven over “een zwijnwerende voorziening van maximaal 1,20 meter hoog die passeerbaar is voor kleine zoogdieren;

    Onze fractie zal een amendement indienen om dit te schrappen, maar we hebben daarnaast de volgende vragen. Welke kleine zoogdieren worden bedoeld ? Wat is het grootste zoogdier dat nog kan passeren? Moet een das de voorziening kunnen passeren? Is het niet praktischer te stellen welke dieren de voorziening niet moeten kunnen passeren, en dat het voor alle andere dieren passeerbaar moet zijn?

  22. Met betrekking tot de wijziging voor geitenhouderij. In het handboek “Kwaligeit” staat:

    "Geitenbokjes die rechtstreeks van het bedrijf worden afgevoerd voor een slachterij- of exportbestemming dienen een minimale leeftijd van 21 dagen te hebben."

    Sinds vorig jaar geldt m.b.t. de Regeling Ammoniak en Veehouderij:

    Geitlammeren met een leeftijd tot 30 dagen op de locatie van het melkgeitenbedrijf worden niet meegeteld.

    Klopt het dat het in de praktijk betekent dat geitenbokjes, ook met de aanpassing van de verordening, waarschijnlijk niet ouder zullen worden dan 30 dagen, omdat er dan geen stikstofemissieruimte nodig is?

  23. In 2020 won een schapen- en geitenhouder een rechtszaak van de provincie, over het ophogen van een weiland in een weidevogelgebied. Worden de weidevogels, waarmee het niet goed gaat, straks wel beschermd tegen ophogen van de grond, of zou de uitspraak met de nieuwe verordening waarschijnlijk niet anders zijn geweest?

  24. Heeft de provincie nog andere rechtszaken verloren, en is de verordening daar indien nodig op aangepast?

  25. In de Statenbrief staat op blz. 4 “Door de manier waarop regels geformuleerd waren, dachten indieners dat we een strenger regime wilden voeren, terwijl we een ‘ja, mits’ benadering bedoelen. We hebben de regels nu concreter gemaakt, waardoor duidelijk wordt onder welke voorwaarden activiteiten in ganzenrustgebieden worden toegestaan.

    U maakt de regels concreter wanneer indieners denken dat u een stenger regime wilt voeren. Gebeurt het ook wanneer indieners denken dat de regels te weinig concreet zijn voor een effectieve bescherming?

  26. In Didam zijn plannen voor een natuurbegraafplaats in het Lankhorstbos. Is dat volgens de huidige regels van de provincie mogelijk? Is het straks met de nieuwe regels mogelijk?

  27. Vereniging De Hollandsche Molen pleit voor vuurwerkvrije zones rond (met name rietgedekte) historische windmolens. Er zijn al enkele malen historische windmolens door vuurwerk beschadigd of afgebrand. De provincie heeft beleid voor windmolens, en de molenbiotoop wordt ook in de verordening beschermd. Er is dus kennelijk sprake van een provinciaal belang. Is het technisch mogelijk als provincie een vuurwerkvrije zone rond historische windmolens in te stellen, of de gemeente daartoe een instructie te geven?

  28. Vereniging De Hollandsche Molen wijst ook op het gevaar van wensballonnen. Een artikel van Omroep Brabant laat zien dat bijna de helft van de gemeenten in Brabant (30 van de 62) de wensballonnen al heeft verboden, niet alleen vanwege brandgevaar, maar ook omdat dieren ziek kunnen raken of verstrikt kunnen raken door het afval als de ballonnen neerkomen. Is het technisch mogelijk, vanwege het belang voor de natuur en historische windmolens, als provincie een verbod voor wensballonnen in te stellen?

  29. Veel inwoners van Gelderland zijn ongerust over het gebruik van gif (gewasbeschermingsmiddelen) op akkers in hun omgeving. Vooral in de bollenteelt wordt veel gif gebruikt. Ook in Gelderland worden bollen geteeld, op beperkte schaal. In bepaalde delen van de gemeente Apeldoorn is de mogelijkheid voor sierteelt van bolgewassen in het bestemmingsplan geregeld. Is het technisch mogelijk, vanwege het belang voor natuur en de volksgezondheid, als provincie de teelt van gewassen waar substantieel meer gif bij gebruikt wordt aan banden te leggen? (Net zoals we in verband met de volksgezondheid een bouwstop voor de geitenhouderij hebben ingesteld.)

  30. In Ingen zijn inwoners ongerust over de oprukkende laanbomenteelt. “'Alles wordt doodgespoten onder de bomen', zegt hij, 'dus er zit totaal geen leven meer in. Er zitten hier zwanen, ooievaars, scholeksters, grutto's en dat verdwijnt allemaal op deze manier.'” Wordt dit gebied met de nieuwe verordening beter beschermd of juist niet?

  31. Omwonenden van een schietterrein bij Elspeet maken zich ongerust over geluidsoverlast als bovengronds schieten weer zou worden toegestaan. Het terrein ligt in het GO en wordt omgeven door GNN. Het ligt bovendien in een stiltebeleidsgebied. Wordt dit gebied met de nieuwe verordening beter beschermd of juist niet?

Bij de beeldvormende bijeenkomst op 3 februari 2021 was er onvoldoende tijd om alle vragen te stellen en te beantwoorden.

Dit is een link naar de nagekomen schriftelijke antwoorden op de vragen die tijdens de vergadering zijn gesteld https://gelderland.stateninformatie.nl/document/9732052/1/Antwoorden%20technische%20vragen%20na%20beeldvorming%203-2-21%20Actualisatieplan%207%20omgevingsverordening

1.
In het verleden werden de ingediende zienswijzen bij de griffie in een map voor de Statenleden ter inzage gelegd. Dit keer is dat niet gedaan. Onze fractie heeft verzocht om inzage, en heeft die mogelijkheid ook gekregen. We vermoeden dat ook de andere fracties van die mogelijkheid op de hoogte moeten worden gesteld, in verband met artikel 167 lid 3 van de provinciewet, en we zijn niet zeker of dat al is gebeurd. Is het inmiddels gebeurd?

Antwoord
Fracties kunnen de vraag aan de griffie stellen. Het verschil met de vorige is dat toen een fysieke map werd gegeven en nu toegang tot een digitale map.

2.
GS hebben een openbare reactienota opgesteld, met een samenvatting van de zienswijzen van organisaties, bedrijven en inwoners van Gelderland. Onze fractie heeft inzage in de zienswijzen gekregen.

We verzoeken om ook een beknopte openbare samenvatting te maken van verzoeken, meldingen, etc. van organisaties, bedrijven etc. (met naam, zoals ook in de reactienota) die tot de wijzigingen in de verordening hebben geleid of er invloed op hebben gehad, en we verzoeken op grond van artikel 167 lid 3 van de provinciewet om inzage in die correspondentie. We verzoeken ook inzage in eventuele juridische adviezen.

Onze fractie is met name geïnteresseerd in de wijzigingen m.b.t.:

  • een nieuw hoofdstuk met afweegkader en afwijkruimte: Hoofdstuk 1a (beoordelingskader);
  • aanpassing van de instructieregels Gelders natuurnetwerk; • vrijstelling op het verbod op uitbreiding tijdens het lammerseizoen voor geitenhouderijen;
  • mogelijk maken van bestrijden van de veldmuis; • vrijstelling vergunningplicht ontgrondingswerkzaamheden Kaderrichtlijn water (KRW);
  • natuurbegraven; • aanpassing beschermingsregels van weidevogelgebieden en rustgebieden voor ganzen en aanpassing begrenzing weidevogelgebieden;

Antwoord
In de reactienota is aangegeven welke wijzigingen zijn doorgevoerd na de inspraaktermijn. Deels betreft dit wijzigingen die voortkomen uit reacties van de verschillende indieners en deels ambtshalve wijzigingen. In de reactienota wordt dit nader toegelicht en is te lezen welke reacties tot wijzigingen hebben geleid. In de volgende artikelen zijn na de ter inzage legging wijzigingen aangebracht: artikel 2.39, 2.45, 2.46, 2.49, 2.50, 2.51b, 3.10, 3.22, en 3.71a. De volgende bijlagen zijn gewijzigd: beschermingsgebieden grondwater, grondwaterbescherming, vrijstelling storen en doden diersoorten en vrijstelling asbestsanering. De toelichting bij de volgende artikelen is gewijzigd: artikel 1a.2, afdeling 2.6, artikel 2.39, 2.40, 2.50, 2.51b, 2.54a, 2.55, 3.10, 3.22 en 3.66. In het Actualisatieplan staan de redenen tot wijziging.

3.
In de Statenbrief is op blz. 3 beschreven dat met deze wijziging onze regels passen binnen het door het Rijk gewenste beschermingsregime zoals voorgeschreven in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

Wordt met de huidige regels (juridisch gezien) ook voldaan aan het Barro?

Antwoord
Ja de huidige regels voldoen ook aan het Barro.

4.
Om de wijziging compleet door te voeren zijn we afhankelijk van de wijziging en aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet1, waarvoor onder andere een uitgebreide voorbereidingsprocedure nodig is en een advies van de Raad van State. Niet alle fracties zijn gelukkig met de Crisis- en herstelwet. Zou er ook een oplossing mogelijk zijn zonder daarvan gebruik te maken, bijvoorbeeld door als Provinciale Staten (tot de invoering van de nieuwe Omgevingswet) zelf te besluiten over activiteiten of ontwikkelingen van groot openbaar belang?

Antwoord
In plaats van bij een belangenconflict de afweging van die belangen via dit beoordelingskader toe te vertrouwen aan GS, kunnen PS ook zelf die afweging maken door zo nodig de verordening te wijzigen. Dit is bijvoorbeeld gebeurd bij Actualisatieplan 6 in de casus Wilp, waaraan energietransitie (aanleg zonnepark) op een locatie die gereserveerd was voor glastuinbouw is meegewerkt door het creëren in de verordening van een regionaal cluster glastuinbouw met verbrede reikwijdte (artikel 2.21a). Aan deze werkwijze kleven wel enkele nadelen: het bij elke afwijking van de huidige instructieregels voorzien in nieuwe regels of nieuwe gebiedstypen, leidt op den duur tot een wirwar aan regels en tot een versnippering van gebieden. Bovendien staat tegen een wijziging van de verordening voor (derden) belanghebbenden geen rechtsbescherming open. De verordening is bedoeld voor algemene regels voor veel voorkomende situaties, niet voor concrete beslissingen in concrete casussen. In dat opzicht verschilt onze verordening van het gemeentelijke bestemmingsplan, dat zich wel goed leent voor concrete beslissingen voor een concrete locatie. De Omgevingswet legt straks ook de bevoegdheid tot het nemen van een projectbesluit – dat ook een geschikt instrument is om bijvoorbeeld grootschalige energieprojecten te realiseren op concrete locaties – in handen van gedeputeerde staten.

5.
De nieuwe verordening maakt meer maatwerk en flexibiliteit mogelijk, waarbij meer belangen tegen elkaar kunnen worden afgewogen. GS krijgen meer bevoegdheden voor wijzigingen. De verordening wordt daardoor complexer en het beleid wordt voor PS moeilijker te controleren. Een natuurgebied op de kaart waar niets mogelijk is, tenzij PS zelf een besluit nemen, is rustgevend voor statenleden. Een natuurgebied met veel mogelijkheden en afwegingsruimte, en bevoegdheden voor GS en colleges van B en W, geeft veel werk voor statenleden om agenda’s en besluiten van GS en B en W te controleren, om indien nodig nog op tijd te kunnen ingrijpen. We hebben in de toeslagenaffaire gezien waar het toe kan leiden, als ingewikkelde regelingen niet goed gecontroleerd kunnen worden, en als wetgeving zo complex is dat degenen die besluiten moeten nemen moeilijk kunnen overzien wat de gevolgen zullen zijn. In de beeldvormende vergadering op 3 februari was te zien dat statenleden over het huidige voorstel nog veel vragen hebben, ondanks dat al jaren aan de invoering van de nieuwe omgevingswet wordt gewerkt, en ondanks de trainingen en workshops. Is bij de nieuwe verordening de controleerbaarheid door PS een punt van overweging geweest?

Antwoord
Over de (gewenste) mate e/o wijze van controle op de uitvoering van de omgevingsverordening, inclusief het nieuwe beoordelingskader, gaan PS zelf. De huidige omgevingsverordening bevat ook al maatwerk en flexibiliteit, zoals de ontheffing bij Ruimte en de ADC-toets bij Natuur. Controle vindt plaats door publieke besluitvorming (ter inzage legging van gemotiveerde ontwerpbesluiten) en door rechtsbescherming bij de bestuursrechter, waarbij in toenemende mate (via een exceptieve toetsing) ook de regels uit de provinciale verordening ter discussie worden gesteld.

6.
Is het mogelijk, bijvoorbeeld via een soort voorhangprocedure, besluiten van GS waarbij de nieuwe mogelijkheden van de verordening worden gebruikt, altijd eerst aan Provinciale Staten voor te leggen, totdat voldoende ervaring met de nieuwe verordening is opgebouwd?

Antwoord
Ja. PS kunnen desgewenst een amendement met die strekking indienen.

7.
Wat is de status van de wijziging en aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet?

Antwoord
Die 23e tranche, waarvoor een deel van Actualisatieplan 7 (het beoordelingskader) is aangemeld, is voorgehangen bij de Eerste Kamer. Door twee fracties zijn vragen gesteld over deze tranche. Die vragen zijn inmiddels beantwoord. De Vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken vergadert op 11 februari en zal dan besluiten of de beantwoording van de vragen afdoende is. Zo ja, dan is de voorhangfase voorbij en zal de regering advies over deze tranche vragen aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

8.
In het rapport “Decentraal natuurbeleid onder de Wet natuurbescherming”, waarin een analyse is gedaan van de verordeningen van de provincies, is te lezen dat de Gelderse natuur nog niet optimaal beschermd is :

Blz. 37: “Via een klik op het begrip ‘kernkwaliteiten’ in de digitale versie van de verordening is een kaart met NNN, GNN en kernkwaliteiten beschikbaar. Die kernkwaliteiten zijn vaak tamelijk algemeen beschreven (bijv. voor landschap – zie hierna)” ‘De Omgevingsvisie 2018 (p.108) geeft aan: “Per saldo moet elke ontwikkeling een verbetering van de kernkwaliteiten in het Gelders Natuurnetwerk opleveren. In dat saldo zijn vergroting van de oppervlakte natuur en versterking van de ecologische samenhang belangrijke randvoorwaarden.” Of dit uitgangspunt juridisch is verankerd is onzeker en vraagt nader onderzoek.

Blz. 52: “Kernkwaliteiten landschap zijn echter vaak niet of nauwelijks uitgewerkt. Voor bepaalde gebieden worden bijv. wel rust, ruimte en donkerte vermeld. Kernkwaliteiten omvatten echter ook ecosysteemdiensten zoals houtproductie (bijv. Kootwijk). Uiteindelijk bescherming is daarmee onduidelijk.” “Of kernkwaliteiten duidelijk genoeg zijn kan voor goede bescherming is de vraag.” “Elementen lijken veelal niet te behoren tot de wezenlijke kenmerken (kernkwaliteiten). Wel meer indirect vanwege het benoemen van ‘leefgebied’ van soorten die mede van elementen afhankelijk zijn dit kan voor praktijk te indirect zijn voor goede werking.”

Blz. 65: “Hoe dit doel behaald zal worden is maar ten dele uitgewerkt. Het Actieplan van maatschappelijke partijen gaat nog wat verder, maar de provincie heeft die doelstelling niet expliciet overgenomen.” “Een heldere koppeling tussen ambities en maatregelen ontbreekt echter. Ook is niet goed duidelijk in hoeverre de verschillende instrumenten succesvol worden ingezet.”

Blz. 104: “Formuleringen zijn echter algemeen. Geen relatie met de GSvI. Andere soorten krijgen geen aandacht.”

Is de verordening aangepast naar aanleiding van de opmerkingen die in het rapport staan, om de Gelderse natuur goed te beschermen? Zo nee, wanneer gaat dat gebeuren? Wanneer worden de kenwaarden voldoende specifiek en meetbaar geformuleerd, zodat een zorgvuldige beoordeling gemaakt kan worden van nieuwe activiteiten en ontwikkelingen in het GNN?

Antwoord
De verordening is op dit punt niet aangepast. Op dit moment wordt aan de hand van een pilot in samenwerking met de gemeente Doetinchem onderzocht op welke wijze de kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone uitgewerkt en gelokaliseerd kunnen zodat betere handvaten geboden worden voor substantiële versterking.

9.
Zijn de ecologische gevolgen van de voorgestelde wijziging om nieuwe activiteiten en ontwikkelingen in het Gelders natuurnetwerk toe te staan in kaart gebracht? Zo ja, wat zijn die gevolgen?

Antwoord
De nieuwe GNN-beschermingsregel heeft op zichzelf geen ecologische gevolgen. Verwacht wordt dat de toepassing van de regel ook geen ecologische gevolgen heeft, omdat de inhoud van de regel is dat een activiteit die nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit, oppervlakte of samenhang van het natuurnetwerk niet door kan gaan. De beoordeling hiervan vindt pas plaats bij een concreet initiatief dat vergezeld moet gaan van een onderzoek.

10.
Wat is de maximale ruimte voor nieuwe activiteiten en ontwikkelingen die op basis van de gewijzigde regels wordt toegestaan?

Antwoord
De maximale ruimte is dat nieuwe activiteiten of ontwikkelingen worden toegestaan in het GNN als uit onderzoek blijkt dat deze geen nadelige gevolgen kunnen hebben voor de oppervlakte samenhang of kwaliteit. Een activiteit met nadelige gevolgen kan bij hoge uitzondering worden toegestaan als sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en de nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. In de artikelen 2.41 – 2.43 staan specifieke regels voor militaire terreinen, windturbines in het Verkenningsgebied voorwaarden windturbines Gelders natuurnetwerk en uitbreiding van bestaande activiteiten.

11.
Hoe wordt gewaarborgd dat er geen nadelige gevolgen voor de kernwaarden van het GNN optreden als gevolg van de cumulatieve effecten van meerdere activiteiten en ontwikkelingen die afzonderlijk mogelijk worden gemaakt op basis van de gewijzigde regels?

Antwoord
Elke ontwikkeling in het GNN wordt onderzocht op de gevolgen voor de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het GNN. Een ontwikkeling die nadelige gevolgen kan hebben, is in beginsel niet toegestaan of de effecten moeten volledig worden gemitigeerd. Verwacht wordt dat hierdoor geen cumulatie van effecten zal ontstaan met nadelige gevolgen voor de natuur.

12.
Hoe wordt gewaarborgd dat er geen nadelige gevolgen optreden als gevolg van opeenvolgende besluiten over nieuwe ontwikkelingen, waarbij telkens een klein beetje natuur verloren gaat?

Antwoord
Verwezen wordt naar het antwoord op de vorige vraag.

13.
Waarom is de aanduiding GNN of GO van veel weidevogelgebied en ganzenrustgebied verwijderd? Wat betekent dit in de praktijk, bijvoorbeeld voor de bescherming, ontwikkeldoelen of subsidiemogelijkheden?

Antwoord
De GO bestond tot voor kort uit een samenvoeging van verwevingsgebieden, ecologische verbindingszones, weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden. De reden om deze laatste twee typen gebieden uit de GO te halen en een eigen beschermingsregiem te geven is dat met deze gebieden eigenlijk een ander doel en een andere systematiek wordt beoogd. In de Groene ontwikkelingszone wordt ruimte geboden aan nieuwe ontwikkelingen als die een bijdrage kunnen leveren aan de versterking van natuurwaarden. Bij weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden ligt de nadruk op behoud en waar nodig herstel van bestaande waarden. Die zijn in hoge mate verbonden met het landbouwkundig gebruik. Weidevogels zijn kwetsbaar en de aangewezen gebieden zijn relatief klein waardoor je deze gebieden juist goed wilt beschermen. In de praktijk betekent dit dat er nauwelijks nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn. Daarnaast wordt met de agrarische natuurverenigingen gekeken hoe we het beheer van deze gebieden kunnen verbeteren. Met waterschappen wordt gekeken of we de grondwaterpeilen kunnen verhogen of flauwe oevers richting sloten kunnen aanleggen. De subsidiemogelijkheden blijven hetzelfde. Ganzenrustgebieden hangen met name samen met relatief intensief gebruikte graslanden. Daar gaat het er vooral om voldoende rust te bieden zodat deze dieren kunnen foerageren. Versterking van natuurwaarden is hier niet nodig. In deze gebieden vindt geen verjaging van overwinterende ganzen plaats. De landbouwschade wordt in deze gebieden automatisch door BIJ12 getaxeerd en de agrariërs ontvangen in deze gebieden een hogere vergoeding dan erbuiten. Deze systematiek wordt door de wijziging van GO naar ganzenrustgebied niet veranderd.

14.
Van hoeveel ha weidevogelgebied en ganzenrustgebied is de aanduiding GNN of GO verwijderd?

Antwoord
Voor zover weidevogelgebieden en ganzenrustgebieden in het GNN liggen is dit niet veranderd. Daar waar het de GO betreft zijn deze gebieden er wel uit gehaald. Ca 13.000 ha is omgezet van GO in weidevogelgebied dan wel ganzenrustgebied. De weidevogelgebieden liggen niet allemaal in het GO, maar ook in het GNN.

15.
Volgens artikel 2.51b mag een ganzenrustgebied niet kleiner worden dan 500 ha. Kunt u in een tabel aangeven hoe groot de afzonderlijke ganzenrustgebieden nu zijn en met hoeveel ha en welk percentage de ganzenrustgebieden verkleind zouden kunnen worden?

Antwoord
Deze gegevens zijn nu niet voorhanden. Er wordt aan gewerkt om deze over enkele weken wel beschikbaar te hebben. De gegevens worden dan met u gedeeld.

16.
Is de doorwerking van de weidevogelgebieden naar de bestemmingsplannen goed geregeld ? (Wat betreft de inhoud van de bestemmingsplannen, en de termijn waarop e.e.a. geregeld moet zijn.)

Antwoord
De regel voor weidevogelgebieden heeft alleen betrekking op een nieuwe activiteit of ontwikkeling in het weidevogelgebied. Met een nieuwe activiteit of ontwikkeling wordt bedoeld een activiteit die niet past binnen het huidige bestemmingsplan en waarvoor dus een wijziging van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning om daarvan af te wijken nodig is. Wanneer een bestemmingplan ter inzage wordt gelegd nadat de nieuwe regels in werking zijn getreden, mag dat bestemmingsplan dus geen activiteit mogelijk maken die nadelige gevolgen kan hebben voor het weidevogelgebied.

17.
In de toelichting stond en staat "Voor delen van de Groene ontwikkelingszone die ook weidevogel- en rustgebied voor winterganzen zijn, is vooral een conserverend beleid van kracht, gericht op het behoud van openheid. Hier ligt geen ontwikkelingsdoelstelling." Hoe worden de openheid en andere kwaliteiten beschermd nu de aanduiding GO of GNN van de ganzenrustgebieden en weidevogelgebieden worden verwijderd? Is het inderdaad wel zo, dat voor delen van GO die ook weidevogelgebied en ganzenrustgebied zijn, er nergens ontwikkeldoelstellingen golden?

Antwoord
De aanduiding GNN is in ieder geval niet verwijderd bij de ganzenrustgebieden en weidevogelgebieden. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten getoetst worden op de gevolgen voor het functioneren als rustgebied voor overwinterende ganzen. Openheid maakt hier deel van uit. Ganzenrustgebieden betreffen vooral relatief intensief gebruikte landbouwgebieden. Daar waar er nadrukkelijk wel een ontwikkelingsdoelstelling voor natuur geldt blijft het betreffende gebied ook als GO aangewezen. Er kan dus overlap tussen beide gebiedscategorieën optreden maar dat is maar heel beperkt het geval.

18.
Bij zienswijze 81 wordt voorgesteld het verbod op windmolens in weidevogelgebieden ook voor een strook om het gebied te laten gelden, omdat immers de windmolens ook op enige afstand invloed hebben. De reactie is “Wanneer buiten een weidevogelgebied handelingen plaatsvinden die een duidelijk negatief effect hebben op de broedvogels dan is daar een ander instrument voor. De initiatiefnemer dient namelijk in dat geval een ontheffing in het kader nog de Wet Natuurbescherming aan te vragen.” Is het niet veel duidelijker, overzichtelijker en goedkoper voor alle betrokkenen, als duidelijk is dat bepaalde activiteiten een negatief effect hebben, ook op bepaalde afstand, om dat op de kaart vast te leggen (eventueel totdat er alternatieven zijn gevonden en PS de kaart aanpassen)?

Antwoord
De bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is voldoende voor weidevogelgebieden.

19.
In het voorstel worden windmolens in ganzenrustgebieden niet langer uitgesloten. Kunnen er voor het plaatsen van een windmolen tegenprestaties worden verlangd t.b.v. natuur en landschap? Zo ja, wordt dat gedaan? Is het mogelijk als tegenprestatie te verlangen dat op agrarische percelen in de omgeving met een bepaald oppervlak voortaan biologisch wordt geboerd?

Antwoord
Op grond van de huidige tekst van artikel 2.51b hoeft voor het plaatsen van een windturbine geen tegenprestatie te worden geleverd. De enige voorwaarden zijn dat de nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden beperkt en dat minimaal 500 hectare Ganzenrustgebied overblijft. Bij minder dan 500 hectare moet de initiatiefnemer op zoek naar boeren die hun grond willen toevoegen aan het Ganzenrustgebied. De omgevingsverordening lijkt ons geen geschikt instrument om de tegenprestatie om biologisch te boeren in op te nemen. Deze gebieden zijn geschikt als ganzenrustgebied vanwege het bestaande agrarische gebruik.

20.
De methode van inundatie die de provincie wil toestaan om veldmuizen te verdrinken veroorzaakt dierenleed op grote schaal. Heeft de provincie alternatieven overwogen, en preventieve maatregelen ("Het aantrekkelijk maken van een gebied voor roofvogels en uilen worden internationaal gezien als een kansrijke maatregel."), die bijvoorbeeld in onderstaande artikelen worden genoemd?

Antwoord
Er zijn alternatieven overwogen waaronder rodenticiden maar hiervan wordt afgezien, mede op basis van ingebrachte zienswijzen. Inundatie oftewel bestrijding met water is een in Friesland beproefde methode waarbij een deel van de muizen verdrinkt, een deel ter plaatse wordt opgegeten door vogels zoals meeuwen en reigers en een deel het overleeft. Inundatie creëert een situatie die zich onder natuurlijke omstandigheden ook kan voordoen zoals nu bij de overstroming van uiterwaarden door hoog water. GS zien dit niet als het onnodig veroorzaken van dierenleed op grote schaal. Overigens wordt preventie gestimuleerd dus het beperken van het risico op muizenplagen door bij te dragen aan het vergroten van de biodiversiteit in het agrarisch gebied. Een voorbeeld daarvan zijn landschapselementen van waaruit natuurlijke predatoren een goede uitvalsbasis kunnen hebben.

21.
In de reactienota staat op blz. 9 “De daartoe opgestelde voorstellen/uitwerkingen zijn door de provincie geaccordeerd.”. Wat was de grondslag om deze voorstellen te kunnen accorderen?

Antwoord
Gedeputeerde Staten hebben een zienswijze ingediend op het ontwerp-bestemmingsplan. Omdat de zienswijze voldoende is verwerkt in het bestemmingsplan hebben Gedeputeerde Staten besloten geen reactieve aanwijzing (artikel 3.8 Wro) toe te passen en dus het bestemmingsplan te ‘accorderen’.

22.
In artikel 2.46 lid 1 onder j wordt geschreven over “een zwijnwerende voorziening van maximaal 1,20 meter hoog die passeerbaar is voor kleine zoogdieren;”

Onze fractie zal een amendement indienen om dit te schrappen, maar we hebben daarnaast de volgende vragen. Welke kleine zoogdieren worden bedoeld ? Wat is het grootste zoogdier dat nog kan passeren? Moet een das de voorziening kunnen passeren? Is het niet praktischer te stellen welke dieren de voorziening niet moeten kunnen passeren, en dat het voor alle andere dieren passeerbaar moet zijn?

Antwoord
Een zwijnwerend raster moet alleen zwijnen keren. Grotere zoogdieren als edelhert, ree of wolf kunnen erover heen. Voor kleinere zoogdieren als een das moeten openingen in het raster worden gemaakt. Nog kleinere zoogdieren kunnen door de mazen van het raster passeren.

23.
Met betrekking tot de wijziging voor geitenhouderij. In het handboek “Kwaligeit” staat :

"Geitenbokjes die rechtstreeks van het bedrijf worden afgevoerd voor een slachterij- of exportbestemming dienen een minimale leeftijd van 21 dagen te hebben."

Sinds vorig jaar geldt m.b.t. de Regeling Ammoniak en Veehouderij:

“Geitlammeren met een leeftijd tot 30 dagen op de locatie van het melkgeitenbedrijf worden niet meegeteld.”

Klopt het dat het in de praktijk betekent dat geitenbokjes, ook met de aanpassing van de verordening, waarschijnlijk niet ouder zullen worden dan 30 dagen, omdat er dan geen stikstofemissieruimte nodig is?

Antwoord
De stikstofdepositie op een bedrijf is binnen één bedrijf veelal afkomstig van meerdere bronnen. De samenstelling van deze bronnen kunnen geregeld wijzigen afhankelijk van de aanwezigheid van het aantal aanwezige dieren binnen de verschillende diercategorieën. Dit betekent dat niet op voorhand gesteld kan worden dat binnen de stikstofemissieruimte van een bedrijf geen ruimte is voor geitenbokjes ouder dan 30 dagen.

24.
In 2020 won een schapen- en geitenhouder een rechtszaak van de provincie, over het ophogen van een weiland in een weidevogelgebied. Worden de weidevogels, waarmee het niet goed gaat, straks wel beschermd tegen ophogen van de grond, of zou de uitspraak met de nieuwe verordening waarschijnlijk niet anders zijn geweest?

Antwoord
In deze zaak heeft de gemeente een omgevingsvergunning voor het aanbrengen van grond (artikel 2.1, eerste lid, onder b Wabo) verleend, waar de provincie beroep tegen heeft ingesteld. De regel uit de Omgevingsverordening over weidevogelgebied geldt alleen voor een wijziging van het bestemmingsplan of een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. De regel geldt niet voor activiteiten die binnen het bestemmingsplan passen, zoals in deze zaak het geval was. De nieuwe verordening zou niet hebben geleid tot een andere uitkomst.

25.
Heeft de provincie nog andere rechtszaken verloren, en is de verordening daar indien nodig op aangepast?

Antwoord
De vrijstelling voor beweiden en bemesten is uit de verordening gehaald na aanleiding van de stikstofuitspraak van de Raad van State. Er is een toenemende tendens dat bij beroepszaken tegen gemeentelijke besluiten over ruimtelijke ontwikkelingen ook de regels uit de provinciale verordening ter discussie worden gesteld (exceptieve toetsing). Als een uitspraak daar aanleiding toe geeft, wordt bezien of de omgevingsverordening moet worden aangepast. De provincie verliest weinig beroepszaken, die onmiddellijk consequenties hebben voor artikelen uit de verordening. In het verleden (2014) zijn bijvoorbeeld door alle provincies de criteria voor ontheffingverlening van instructieregels aangepast, aangezien de Afdeling bestuursrechtspraak strikt toetste aan het criterium uit artikel 4.1a van de Wet ruimtelijke ordening. Naar aanleiding van een concrete uitspraak over een perifere locatie voor grootschalige detailhandel is eveneens alweer enige jaren geleden artikel 1.3 van de omgevingsverordening aangepast.

26.
In de Statenbrief staat op blz. 4 “Door de manier waarop regels geformuleerd waren, dachten indieners dat we een strenger regime wilden voeren, terwijl we een ‘ja, mits’ benadering bedoelen. We hebben de regels nu concreter gemaakt, waardoor duidelijk wordt onder welke voorwaarden activiteiten in ganzenrustgebieden worden toegestaan.”

U maakt de regels concreter wanneer indieners denken dat u een strenger regime wilt voeren. Gebeurt het ook wanneer indieners denken dat de regels te weinig concreet zijn voor een effectieve bescherming?

Antwoord
Wij wilden een soepel beschermingsregime van toepassing verklaren op het Ganzenrustgebied en waren het met indieners eens dat dit niet genoeg tot uiting kwam in de geformuleerde regel. Wij vinden daarentegen dat de nieuwe regels voor het GNN concreet genoeg zijn voor een effectieve bescherming.

27.
In Didam zijn plannen voor een natuurbegraafplaats in het Lankhorstbos8. Is dat volgens de huidige regels van de provincie mogelijk? Is het straks met de nieuwe regels mogelijk?

Antwoord
Dat zal Gedeputeerde Staten op basis van een concreet plan moeten beoordelen.

28.
Vereniging De Hollandsche Molen pleit voor vuurwerkvrije zones rond (met name rietgedekte) historische windmolens. Er zijn al enkele malen historische windmolens door vuurwerk beschadigd of afgebrand. De provincie heeft beleid voor windmolens, en de molenbiotoop wordt ook in de verordening beschermd. Er is dus kennelijk sprake van een provinciaal belang. Is het technisch mogelijk als provincie een vuurwerkvrije zone rond historische windmolens in te stellen, of de gemeente daartoe een instructie te geven?

Antwoord
Het is niet mogelijk om voor molens in Gelderland een vuurwerkvrije zone of een verbod voor wensballonnen in te stellen om te voorkomen dat molens afbranden. Brandgevaar door vuurwerk of wensballonnen is afhankelijk van de verschijningsvorm van de molen. Molens van hout met riet aan de buitenkant zijn gevoelig voor brand. In Gelderland is ca. 40 % van de molens met riet bedekt. Er is dus een risico voor slechts een deel van de molencollectie. Verder ontstaan molenbranden ook door blikseminslag, kortsluiting of nalatigheid van molenaar/bezoeker.

29.
Vereniging De Hollandsche Molen wijst ook op het gevaar van wensballonnen. Een artikel van Omroep Brabant laat zien dat bijna de helft van de gemeenten in Brabant (30 van de 62) de wensballonnen al heeft verboden, niet alleen vanwege brandgevaar, maar ook omdat dieren ziek kunnen raken of verstrikt kunnen raken door het afval als de ballonnen neerkomen. Is het technisch mogelijk, vanwege het belang voor de natuur en historische windmolens, als provincie een verbod voor wensballonnen in te stellen?

Antwoord
Het is niet mogelijk om voor molens in Gelderland een vuurwerkvrije zone of een verbod voor wensballonnen in te stellen om te voorkomen dat molens afbranden. Brandgevaar door vuurwerk of wensballonnen is afhankelijk van de verschijningsvorm van de molen. Molens van hout met riet aan de buitenkant zijn gevoelig voor brand. In Gelderland is ca. 40 % van de molens met riet bedekt. Er is dus een risico voor slechts een deel van de molencollectie. Verder ontstaan molenbranden ook door blikseminslag, kortsluiting of nalatigheid van molenaar/bezoeker.

30.
Veel inwoners van Gelderland zijn ongerust over het gebruik van gif (gewasbeschermingsmiddelen) op akkers in hun omgeving. Vooral in de bollenteelt wordt veel gif gebruikt. Ook in Gelderland worden bollen geteeld, op beperkte schaal. In bepaalde delen van de gemeente Apeldoorn is de mogelijkheid voor sierteelt van bolgewassen in het bestemmingsplan geregeld. Is het technisch mogelijk, vanwege het belang voor natuur en de volksgezondheid, als provincie de teelt van gewassen waar substantieel meer gif bij gebruikt wordt aan banden te leggen? (Net zoals we in verband met de volksgezondheid een bouwstop voor de geitenhouderij hebben ingesteld.)

Antwoord
In het antwoord op de statenvragen over het gebruik van bestrijdingsmiddelen (PS2020-858) van 2 februari 2021 is nader ingegaan op de mogelijkheden van de provincie om regels te stellen over het gebruik van bestrijdingsmiddelen dan wel gewasbeschermingsmiddelen. Met name het antwoord op de derde vraag is ook hier relevant.

31.
In Ingen zijn inwoners ongerust over de oprukkende laanbomenteelt. “'Alles wordt doodgespoten onder de bomen', zegt hij, 'dus er zit totaal geen leven meer in. Er zitten hier zwanen, ooievaars, scholeksters, grutto's en dat verdwijnt allemaal op deze manier.'” Wordt dit gebied met de nieuwe verordening beter beschermd of juist niet?

Antwoord
De provinciale bescherming is afhankelijk van het gebied waar de laanbomenteelt wordt gerealiseerd. Het buitengebied van Ingen valt niet onder een beschermingsregime van de provincie. Wel is een gebied tussen Ingen en Tiel beschermd als Groene ontwikkelingszone. De regels over de Groene ontwikkelingszone wijzigen niet. De bescherming in het buitengebied Ingen verandert dus niet als gevolg van Actualisatieplan 7.

32.
Omwonenden van een schietterrein bij Elspeet maken zich ongerust over geluidsoverlast als bovengronds schieten weer zou worden toegestaan. Het terrein ligt in het GO en wordt omgeven door GNN. Het ligt bovendien in een stiltebeleidsgebied. Wordt dit gebied met de nieuwe verordening beter beschermd of juist niet?

Antwoord
In Actualisatieplan 7 zijn geen wijzigingen aangebracht in de regels die gelden voor stiltegebieden of de Groene ontwikkelingszone.