Schrif­te­lijke vragen over weer­stands­ca­pa­citeit


De laatste jaren heeft de provincie de weerstandscapaciteit (het bedrag dat is gereserveerd voor tegenvallers) verminderd, zodat het geld kon worden uitgegeven aan andere zaken. De capaciteit kon verminderd worden doordat bijvoorbeeld in 2016 een belangrijk risico m.b.t. de “Vitesse-zaak” verviel. Het risicomanagement van de provincie is beschreven in een kadernota[1] (PS2013-519).

De weerstandscapaciteit wordt berekend door een statistische methode. Niet alle tegenvallers zullen immers optreden, of ieder jaar optreden. De lijst met risico’s bevat echter ook een (ten opzichte van de andere) relatief groot risico (“failliet financiële instellingen”) : het bijbehorende bedrag (35 miljoen) is groter dan dat van de andere risico’s bij elkaar, en ook groter dan de berekende 90%-weerstandscapaciteit, en de totaal direct beschikbare weerstandscapaciteit.

In het jaarverslag 2017 staat op bladzijde 135 “Deze tabel laat zien dat de benodigde weerstandscapaciteit na 90% zekerheid relatief snel stijgt.”. Het lijkt erop dat het deel na 90% vooral gevormd wordt door het risico “failliet financiële instellingen”. En dat dat risico mogelijk (te) weinig invloed heeft op de berekende 90%-weerstandscapaciteit.

De grafiek van de weerstandscapaciteit is sinds de begroting 2018 niet meer aanwezig in de begroting of in het jaarverslag. De grafiek van de weerstandscapaciteit en de bijbehorende tabel kan overigens ook onbedoeld informatie geven over risico’s als indertijd de Vitesse-zaak die met opzet niet in de begroting werd weergegeven. In Noord-Holland wordt in plaats van de 90% waarde (eens in de tien jaar) de 99% waarde (eens in de 100 jaar) gebruikt[2] . Drenthe gebruikt voor ieder risico een handig identificatienummer[3] . De provincie Limburg maakt onderscheid tussen het incidentele en het structurele weerstandsvermogen, en legt ook een relatie met het Eigen Vermogen[4] . Gelderland doet dat niet.

In het artikel “Financieel weerstandsvermogen berekenen met risicosimulatie”[5] wordt aangegeven welke typen risico’s er zijn. Bijvoorbeeld zuivere risico’s en speculatieve risico’s. Risico’s waarbij een uniforme verdeling of waarbij een driehoeksverdeling wordt gebruikt, etc. “Opbrengsten van de motorrijtuigenbelasting” is waarschijnlijk zo’n speculatief risico. Het kan hoger uitvallen, maar ook lager. Het is uit het jaarverslag niet duidelijk of het ook zo in de simulatie wordt meegenomen.

In het jaarverslag 2017 staan niet alle gegevens van de risico’s, zoals die in de simulatie worden ingevoerd. Bijvoorbeeld naast het maximum ook het minimum, de verwachtingswaarde, de verdeling indien van toepassing, etc. Zelfs een kleine provincie als Zeeland zet die wel in de begroting[6] .

Vragen :

1. Wat zijn de gedetailleerde gegevens van de risico’s zoals die voor de simulatie gebruikt worden in het jaarverslag 2017 ? (Minimum, maximum, verwachtingswaarde, verdeling, etc.)

2. Er zijn richtlijnen met betrekking tot de hoogte van het beschikbare weerstandsvermogen ten opzichte van het berekende (90%) benodigde weerstandsvermogen. Zijn er ook richtlijnen die iets zeggen over de maximale hoogte van enig individueel risico, of over het totaal aan risico’s ?

3. We willen graag een indruk krijgen van de gevoeligheid van de berekende 90% waarde (€8.220.902) voor wijzigingen in het risico van 35 miljoen. Hoe groot wordt de 90% waarde als de kans op optreden van het risico wordt gewijzigd van 10 naar 5% ? En als dan de waarde van het risico wordt gewijzigd van 35 naar 350 miljoen ?

4. Wat zal er in de praktijk gebeuren als een risico als “failliet financiële instellingen” of “de Vitesse-zaak” optreedt, en het beschikbare weerstandsvermogen op dat moment te klein is ?

5. In het jaarverslag 2017 staat op bladzijde 130 “De inschatting van het maximale gevolg is gebaseerd op het faillissement van één financiële instelling waarin het maximum van 2,5% van het belegde vermogen ook daadwerkelijk is belegd en 50% van het belegd vermogen bij betreffende bankinstelling wordt terugontvangen na het faillissement.”. Is er sprake van één of van meerdere financiële instellingen waar vermogen is belegd, en als dat laatste het geval is, bestaat het risico dan eigenlijk uit meerdere risico’s, met ieder een kleinere kans (dan 10%) op optreden ? Bestaat het risico uit het wegvallen van een deel van de beleggingen, of uit het wegvallen van de inkomsten voor de korte termijn uit die beleggingen ?

6. In Overijssel is het grootste risico “Ontwikkelopgave Natura 2000”[7] . In Gelderland komt dat bij de risico’s niet voor. Dat is correct ? Worden de risico’s van de andere provincies af en toe bekeken om te zien of er één tussenzit die in Gelderland mogelijk is vergeten ?

Luuk van der Veer

Lid Provinciale Staten van Gelderland Partij voor de Dieren.

1 https://gelderland.stateninformatie.nl/document/691952/1

2 http://noordholland.begroting-2017.nl/p3535/weerstandsvermogen-en-risicobeheersing

3 http://drenthe.begroting-2017.nl/p12723/inventarisatie-en-beheersing-risicos

4 https://www.limburg.nl/publish/pages/932/programmabegroting_2018.pdf

5 https://www.bngbank.nl/BG%20Articles/200306b_1057821911.263.pdf

6 https://www.zeeland.nl/digitaa...

Antwoorddatum: 15 mei 2018

Opmerking vooraf van ons college:

Het actuele beleid voor het risico management en het weerstandsvermogen is neergelegd in de Kadernota risicomanagement en weerstandsvermogen 2017 (PS2017-661). Deze kadernota is vastgesteld door uw Staten in de vergadering van 13 december 2017.

Vraag 1:

Wat zijn de gedetailleerde gegevens van de risico’s zoals die voor de simulatie gebruikt worden in het jaarverslag 2017? (Minimum, maximum, verwachtingswaarde, verdeling, etc.)

Antwoord:

Gedetailleerde gegevens over de inschatting van de risico’s, die relevant zijn voor de weerstandscapaciteit en die gebruikt worden voor de simulatie, zouden bij openbaarmaking mogelijkerwijs onze (juridische) positie kunnen schaden. Dat is een situatie die wij in ieder geval willen voorkomen. Om op hoofdlijnen in de informatiebehoefte te voorzien hebben wij, onder oplegging van geheimhouding, bij de Griffie een document ter inzage gelegd, met aanvullende informatie.

Meer in het algemeen merken wij in dit verband nog het volgende op. In het door de provincie gehanteerde systeem voor risicovastlegging kunnen spreidingen van een risico ingevoerd worden (minimum, verwacht, maximum). Per risico is een minimum en een maximumwaarde ingevoerd. De statistische verdeling die daarbij gehanteerd wordt is ingegeven door Naris. Dat is het systeem dat door ons gebruikt wordt voor risicomanagement en de inschatting van de omvang van de risico’s die ten laste kunnen komen van de weerstandscapaciteit. Het systeem gaat uit van een normale verdeling.

Vraag 2:

Er zijn richtlijnen met betrekking tot de hoogte van het beschikbare weerstandsvermogen ten opzichte van het berekende (90%) benodigde weerstandsvermogen. Zijn er ook richtlijnen die iets zeggen over de maximale hoogte van enig individueel risico, of over het totaal aan risico’s?

Antwoord:

Anders dan het algemene kader dat is neergelegd in de Kadernota risicomanagement en weerstandsvermogen 2017 zijn wij niet bekend met richtlijnen over de maximale hoogte van enig individueel risico en van het totaal van de risicoportefeuille.

Vraag 3:

We willen graag een indruk krijgen van de gevoeligheid van de berekende 90% waarde (€8.220.902) voor wijzigingen in het risico van 35 miljoen. Hoe groot wordt de 90% waarde als de kans op optreden van het risico wordt gewijzigd van 10 naar 5%? En als dan de waarde van het risico wordt gewijzigd van 35 naar 350 miljoen?

Antwoord:

Indien de kans op optreden van een risico van € 35 miljoen wordt gewijzigd van 10% naar 5% leidt dit tot een uitkomst van afgerond € 6,2 miljoen. Als de waarde van het risico wordt gewijzigd van € 35 naar € 350 miljoen gaat het bij een aanname van 10% om een bedrag van afgerond € 11,1 miljoen.

Vraag 4:

Wat zal er in de praktijk gebeuren als een risico als “failliet financiële instellingen” of “de Vitesse-zaak” optreedt, en het beschikbare weerstandsvermogen op dat moment te klein is?

Antwoord:

In de Kadernota risicomanagement en weerstandsvermogen 2017 is als algemeen financieel uitgangspunt u iteengezet dat elke kerntaak in de begroting een eigen reserve heeft en dat deze reserve ook ingezet moet worden voor het oplossen van een (onverwachte) financiële tegenvaller. Zo nodig zal dit gepaard moeten gaan met herprioritering van kerntaak activiteiten teneinde de benodigde dekking veilig te stellen. Herprioritering en onttrekkingen aan (kerntaak)reserves raken het budgetrecht van uw Staten en vereisen dus uw besluitvorming. Aangegeven is voorts dat uw Staten in dat kader ook kunnen beoordelen of een andere oplossing dan via herprioritering de voorkeur verdient. Als een andere oplossing erop zou neerkomen dat het weerstandvermogen onder het afgesproken niveau zal komen, zal een aanvulling onderdeel zijn van de integrale prioriteitenafweging.

Vraag 5:

In het jaarverslag 2017 staat op de bladzijde 130 “De inschatting van het maximale gevolg is gebaseerd op het faillissement van één financiële instelling waarin het maximum van 2,5% van het belegde vermogen ook daadwerkelijk is belegd en 50% van het belegd vermogen bij betreffende bankinstelling wordt terugontvangen na het faillissement”.

Is er sprake van één of van meerdere financiële instellingen waar vermogen is belegd, en als dat laatste het geval is, bestaat het risico dan eigenlijk uit meerdere risico’s, met ieder een kleinere kans (dan 10%) op optreden? Bestaat het risico uit het wegvallen van een deel van de beleggingen, of uit het wegvallen van de inkomsten voor de korte termijn uit die beleggingen?

Antwoord:

Er is sprake van beleggingen in obligaties die zijn uitgegeven door meerdere financiële instellingen. Daarnaast heeft de provincie beleggingen in Staatsobligaties en (verplicht) schatkistbankieren.

De financiële instellingen waar de provincie in de vorm van obligaties heeft belegd, voldoen conform de Wet Financiering decentrale overheden en ons Strategisch Beleggingsplan Vermogensbeheer 2016 (PS2016-401) aan hoge ratings en dus zekerheden. De kans dat een financiële instelling met een dergelijke rating failliet gaat achten wij buitengewoon klein. Bovendien is vanwege de gespreide portefeuille het eventuele risico nog verder verkleind. Het beleggingsrisico bestaat derhalve uit meerdere kleinere risico’s. De inschatting van het beleggingsrisico is gebaseerd op het faillissement van één financiële instelling waarin het maximum van 2,5% van het belegde vermogen ook daadwerkelijk is belegd en 50% van het belegd vermogen bij betreffende bankstelling wordt terugontvangen na het faillissement. Het risico bestaat uit het wegvallen van een deel van de obligatie-beleggingen en komt overeen met een bedrag van € 35 miljoen, waarbij de kans dat dit plaatsvindt is ingeschat op 10%.

De komende jaren neemt dit risico verder af doordat steeds meer middelen onder het regime van schatkistbankieren zullen gaan vallen. In het jaar 2024 expireert de laatste obligatie van een financiële instelling.

Vraag 6:

In Overijssel is het grootste risico “Ontwikkelopgave Natura 2000”. In Gelderland komt dat bij de risico’s niet voor. Dat is correct? Worden de risico’s van de andere provincies af en toe bekeken om te zien of er één tussen zit die in Gelderland mogelijk is vergeten?

Antwoord:

Ons college onderkent geen risico ten aanzien van de Ontwikkelopgave Natura 2000, die ten laste zouden moeten komen van het weerstandsvermogen. Voor zover er risico’s aanwezig zijn behoren deze, conform de werkwijze van de Kadernota, te worden opgevangen door de kerntaak.

In het kader van de budgetcyclus worden begrotingen en jaarstukken van andere provincies op hoofdlijnen gemonitord.


De documenten met vragen en antwoorden zijn ook gepubliceerd op de site van de Provincie Gelderland.




Wij staan voor:

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer