Vragen over weidegang en mest­ver­gisting


Indiendatum: dec. 2011

> deze vragen in .pdf

Wie googlet op plaatjes van een “koe” krijgt nu nog een schier eindeloze lijst foto’s van in de wei rennende en springende koeien, tevreden in het groene gras liggende koeien, herkauwende koeien, in de fotograaf geïnteresseerde koeien, etcetera. Volgens het rapport van het CLM: “Weidegang in Nederland anno 2011” blijkt echter dat van 2006 tot 2011 het percentage koeien dat niet meer buiten komt gestegen is van 17% naar 26%. Ook op bedrijven met een grote huiskavel, waar gemakkelijk geweid zou kunnen worden, is de weidegang gedaald. In het Financieel Dagblad zegt een melkveehouder in een reactie op het rapport dat hij verwacht dat door het opheffen van het melkquotum en verder schaalvergroting 8 van de 10 koeien binnen staat in 2020, en dat alleen een extra premie voor weidemelk onvoldoende zal helpen.

  1. Op 16 februari 2011 is door het college een motie (hier de vierde motie) overgenomen om een inventarisatie te doen en een overzicht te maken van de mogelijkheden die de provincie heeft om weidegang te vergroten. Hoe vordert de uitvoering van deze motie ?
    .
  2. Recent heeft Wageningen UR, in opdracht van onder andere de provincie, een rapport opgesteld over mestvergisting (“Kansen en bedreigingen voor mestvergisting en groengasproductie in de Gelderse landbouw. Een eerste verkenning”). Welke conclusies heeft u uit het rapport over mestvergisting getrokken en wat betekent dit voor het beleid ?
    .
  3. Welke conclusies trekt u uit tabel 1 en bijlage 1 van het rapport, over de meest effectieve inzet van biogas ?
    .
  4. Wat vindt u ervan dat op pagina 31 van het rapport onder het kopje “bedreigingen voor mestvergisting” ook “toenemende eisen m.b.t. dierenwelzijn” staat ? (Namelijk omdat toenemende eisen voor dierenwelzijn meer weidegang en meer vrijloopstallen, en daardoor minder mest voor vergisting tot gevolg zouden hebben.)
    .
  5. Bent u het er mee eens dat omgekeerd het streven naar mestvergisting ook een bedreiging voor weidegang is ?
    .
  6. Wat vindt u van de constatering op pagina 10 dat er in Gelderland bij lange na niet genoeg biomassa is om alle mest te co-vergisten, en dat in een realistisch scenario slechts 6 % van de mest co-vergist kan worden ? (Nog afgezien van het feit dat vergisting van biomassa ook zonder mest kan.)
    .
  7. In figuur 3 is te zien dat er in bepaalde regio’s veel en veel en veel mest is. Zou het een idee zijn om in die gebieden de veehouderij niet verder uit te laten breiden ?
    .
  8. Accepteert u de mening van de expert op de expertmeeting “schaalgrootte in de veehouderij” op 31 augustus in het Huis der Provincie dat weidegang beter is voor het dierenwelzijn in de melkveehouderij ?
    .
  9. Als u mestvergisting wilt stimuleren, en als mestvergisting tot een vermindering van weidegang kan leiden, bent u dan bereid ook maatregelen te nemen om te voorkomen dat weidegang nog verder terugloopt ?
    .
  10. Hoeveel geld besteedt u aan het stimuleren van mestvergisting ?
    .
  11. Het CLM constateert dat om de trend naar opstallen te stoppen of om te keren meer nodig is, onder andere “weidegang in de kredietvoorwaarden van banken”. Gemeenten en provincies kunnen ook weidegang bevorderen via de nieuwe Wet Ruimtelijke Ordening. Enkele gemeenten hebben regels daarvoor in hun bestemmingsplannen opgenomen. Bent u bereid in dat verband als dat nodig is de huisadvocaat te vragen naar kosteneffectieve manieren om de koe in de wei te houden ?

Luuk van der Veer
Lid Provinciale Staten van Gelderland
Partij voor de Dieren.

Indiendatum: dec. 2011
Antwoorddatum: 24 jan. 2012

> deze antwoorden in .pdf

  1. Vraag: Hoe vordert de uitvoering van deze motie (hier de vierde motie)?
    Antwoord: Motie 5, ingediend tijdens de vergadering van Provinciale Staten op 16 februari 2011, is na de toezegging van ons college om motie "op te pakken" ingetrokken. In strikte zin heeft ons college nog geen initiatieven genomen tot de gevraagde inventarisatie van alle mogelijke bestuurlijke instrumenten en impulsen die de aanwezigheid van koeien in weiden vergroten. Recentelijk is in Statencommissie Landelijk Gebied, Cultuur en Jeugdzorg meermalen gesproken over de ontwikkelingen in de veehouderij, inclusief het aspect weidegang. Zowel bij de bespreking van de beleidsnotitie Schaalgrootte (14 september in deze commissie) als bij de Beleidsuitwerking land- en tuinbouw (30 november in de commissie) is door ons college aangegeven een actieve opstelling te kiezen om te komen tot een verduurzaming van de veehouderij. Uw Staten hebben vervolgens het initiatief genomen om de rol die de provincie daarbij zou kunnen spelen, nader te concretiseren. Volgens planning krijgt dat initiatief vervolg in februari. Ons college stelt voor het item "weidegang" in dat kader mee te nemen en afspraken te maken.
    Dit onderwerp wordt ook aan de orde gesteld in de door ons college toegezegde statennotitie "Ruimtelijke (reconstructie)zonering en verduurzaming". Zoals toegezegd zult u deze notitie tegemoet kunnen zien maart - april 2012.
    .
  2. Vraag: Welke conclusies heeft u uit het rapport over mestvergisting getrokken en wat betekent dit voor het beleid?
    Antwoord: Er zijn vele conclusies uit het rapport te destilleren maar de hoofdconclusie zou kunnen luiden dat mestvergisting weliswaar niet leidt tot de ultieme integrale oplossing voor een scala aan opgaven maar wel een belangrijke positieve bijdrage kan leveren aan vele doelen zoals duurzame energieopwekking, vermindering van de emissie van broeikasgassen, ammoniak en geur, verkleining van het mineralenoverschot en een verbetering van het bedrijfsinkomen. Zoals geformuleerd in de Beleidsuitwerkingen Uitdagend Gelderland (onderdeel uitwerking land- en tuinbouw) (PS 2011-644) ziet ons college voor de Gelderse land- en tuinbouw goede verbredingskansen voor zowel groene energie als biobased economy.
    .
  3. Vraag: Welke conclusies trekt u uit tabel 1 en bijlage 1 van het rapport, over de meest effectieve inzet van biogas?
    Antwoord: Uit deze tabel zijn twee hoofdconclusies te trekken, te weten: vergisting van mest levert aanmerkelijk meer groen gas op als co-substraat wordt toegevoegd en er is binnen Gelderland onvoldoende materiaal voorhanden is om aan alle Gelderse mest 50% co-substraat toe te kunnen voegen. Op basis hiervan valt te verwachten dat slechts een beperkt deel van de Gelderse mest zal worden vergist met bijmenging van 50% co-substraat. Zie ook het antwoord op vraag 6.
    .
  4. Vraag: Wat vindt u ervan dat onder het kopje "bedreigingen voor mestvergisting" ook "toenemende eisen m.b.t. dierenwelzijn" staat (p.31)?
    Antwoord: Dit is een feitelijke constatering van het onderzoeksbureau.
    .
  5. Vraag: Bent u het er mee eens dat omgekeerd het streven naar mestvergisting ook een bedreiging voor weidegang is?
    Antwoord: Het wel of niet laten weiden van de melkkoeien is een afweging die elke ondernemer maakt. Daarbij spelen zeer veel aspecten een rol. Voor grondgebonden bedrijven welke (nagenoeg) alle mineralen op het eigen bedrijf kunnen aanwenden, is mestvergisting op dit moment niet interessant.
    De onderzoekers concluderen op dat punt ook dat kleinschalige vergisting met de huidige technieken en afzetketens niet rendabel zijn. Indien mestvergisting in de toekomst wel rendabel zou worden en in combi met mestscheiding de dunne fractie als kunstmestvervanger bruikbaar is, kan dit negatieve effect op weidegang mogelijk wel optreden. Uitdaging voor de sector blijft echter om maatschappelijk verantwoord te (blijven) produceren met weidegang als beeldbepalend element.
    .
  6. Vraag: Wat vindt u van de constatering dat er in Gelderland bij lange na niet genoeg biomassa is om alle mest te co-vergisten, en dat in een realistisch scenario slechts 6% van de mest co-vergist kan worden (p.10)?
    Antwoord: De provincie stimuleert in het prioritaire project BION rendabele vormen van biogasproductie onder andere via mestvergisting. Het is aan de ondernemers om binnen hun exploitatieplan al dan niet gebruik te maken van de soorten biomassa voor co-vergisting, zoals de onderzoekers die hebben bestudeerd. De technologische ontwikkelingen richting monovergisting ziet ons college als een interessante optie, waarbij dus geen biomassa voor co-vergisting wordt toegevoegd. Daarnaast stimuleert ons college ondernemers om met nieuwe kennis en technologie méér biogas te produceren uit mest, de mineralen uit vrijkomend digestaat te verwaarden en het groengas tegen een hogere waarde af te zetten.
    .
  7. Vraag: In figuur 3 is te zien dat er in bepaalde regio’s veel en veel en veel mest is. Zou het een idee zijn om in die gebieden de veehouderij niet verder uit te laten breiden?
    Antwoord: De mestproductie is ongelijk over Nederland verdeeld. In de landelijke wetgeving wordt via de systematiek van de dierrechten voorkomen dat het mineralenprobleem verder wordt vergroot. Om te voorkomen dat er binnen dit nationale plafond er een verdere regionale concentratie zou ontstaan, is Nederland in drie compartimenten verdeeld. Bedrijven kunnen alleen groeien wanneer ze dierrechten aankopen van een krimpend of stoppend bedrijf binnen het eigen compartiment. Dieren kunnen zodoende niet verplaatst worden van compartiment zuid naar oost. Ons college zal er bij het ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie niet voor pleiten om het compartiment oost nog verder in deelcompartimenten op te delen.
    .
  8. Vraag: Accepteert u de mening van de expert op de expertmeeting "schaalgrootte in de veehouderij" op 31 augustus in het Huis der Provincie dat weidegang beter is voor het dierenwelzijn in de melkveehouderij?
    Antwoord: Ons college is van mening dat in algemene zin weidegang beter is voor het dierwelzijn. Ook dieren die buiten worden geweid, brengen het grootste deel van het jaar door in een stal. Uitdaging voor de sector is het daarom meer diervriendelijke stallen te ontwikkelen. De alternatieve huisvestigingssystemen die thans worden beproefd lijken zeer perspectiefvol.
    .
  9. Vraag: Bent u bereid ook maatregelen te nemen om te voorkomen dat weidegang nog verder terugloopt?
    Antwoord: Weidegang kent een zeer breed maatschappelijk draagvlak. Ook ons college acht het om verschillende redenen wenselijk weidegang te behouden. Of dat ook betekent dat wij bereid zijn maatregelen te nemen is - mede gezien de theoretische vraagstelling - niet te beantwoorden. In de basis zijn wij van oordeel dat weidegang verankering moet krijgen in de markt en dus gedragen moet worden door alle ketenpartijen.
    .
  10. Vraag: Hoeveel geld besteedt u aan het stimuleren van mestvergisting?
    Antwoord: In de afgelopen 2 jaren is jaarlijks ca. € 500.000,- besteed aan het stimuleren van grootschalige en kleinschalige mestvergisting. Hier bij gaat het om mest afkomstig van varkenshouderijen, kalverhouderijen en melkveehouderijen in Gelderland. Zie ook antwoorden op vraag 5 en 9.
    .
  11. Vraag: Bent u bereid in dat verband als dat nodig is de huisadvocaat te vragen naar kosteneffectieve manieren om de koe in de wei te houden?
    Antwoord: Wij schakelen, wanneer wij dat ter onderbouwing van onze beleidskeuzen noodzakelijk achten een externe adviseur in. Afhankelijk van de vraagstelling bepalen we dan ook welke partij ons het best kan adviseren.

Gedeputeerde Staten van Gelderland
C.G.A. Cornielje - Commissaris van de Koningin
drs. P.P.L. van Kalmthout - secretaris

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer