Schriftelijke vervolgvragen Orgamebo

Schriftelijke vragen (art. 39 Reglement van Orde) aan de voorzitter van Provinciale Staten van Gelderland

datum : 8 maart 2018

van : Karin Jeurink (PvdA), Paul Franssen (GL), Maaike Moulijn (PvdD)

onderwerp : Vervolgvragen Orgamebo

Inleiding

In de statenvergadering van 7 maart 2018 hebben Groen Links en Partij voor de Dieren vragen gesteld over het proces rondom legaliseren van mestverwerkingsbedrijf Orgamebo in de gemeente Buren. De provincie heeft een Gedoogbeschikking afgegeven en een aantal maal verlengd. In de beantwoording van de mondelinge vragen gaf gedeputeerde aan dat er een aantal overtredingen geconstateerd zijn die niet geleid hebben tot het intrekken van de gedoogbeschikking ook al staat dat in ons eigen gedoogbeleid. Het gedogen gebeurt omdat Orgamebo zonder de daarvoor benodigde vergunning in bedrijf is op een locatie met een strijdige bestemming. 

1. In uw beantwoording gaf u aan mee te willen werken aan legalisering omdat uit milieuhygienisch oogpunt er geen bezwaren zijn op die locatie deze activiteiten uit te voeren.

2. Hoe verhoudt dit zich tot de milieu categorie 5.1 die aan de mestverwerking zijn toegekend?

3. Het ruimtelijk beleid van de provincie is er op gericht om nieuwe bedrijventerreinen te beperken en eerst bestaande locaties vol te bouwen voordat nieuwe toegevoegd worden. Hoe ziet u meewerken aan legalisatie van Orgamebo in dit licht?

4. Orgamebo heeft een gedoogbeschikking ontvangen nadat het al een aantal jaar illegaal op de locatie activiteiten uitvoerde. U geeft aan dat er een handhavingsverzoek is gedaan. Conform het gedoogbeleid had u op dat moment geen gedoogvergunning meer kunnen verlenen. Was het college zich hiervan bewust bij het verstrekken van de gedoogvergunning? Heeft het college sinds 2015 ook in andere gevallen een gedoogvergunning versterkt waar dat niet past binnen het gedoogbeleid? Zo ja, in welke gevallen was dit het geval?

5. In de gedoogbeschikking zijn voorwaarden opgenomen. Wat zijn de exacte voorwaarden? Er zijn inmiddels 3 maal overtredingen van de gedoogbeschikking geconstateerd. In beantwoording op de vraag gaf u aan dat dit geen aanleiding gaf om de gedoogbeschikking in te trekken en tot sluiting over te gaan omdat de overtreding direct ongedaan gemaakt kon worden. Bij de eerste overtreding is dit wellicht verdedigbaar. Maar er is tot 3 keer toe een overtreding geconstateerd o.a. naar aanleiding van klachten uit de omgeving. Hoe kan u tot 3 keer toe tot dezelfde conclusie komen?

6. In de beantwoording gaf u aan dat er volgens u geen verschil is bij het intrekken van een vergunning of het intrekken van een gedoogbeschikking. Er is een groot verschil en dat is dat het bedrijf illegaal met activiteiten is begonnen die niet op die locatie uitgevoerd mogen worden, die tot overlast voor de omgeving leiden en bewust gestart zijn. Bent u het met ons eens dat juist bij een gedoogbeschikking strenger opgetreden moet worden?

7. Hoe gaat u uw handhavingstrategie in de toekomst toepassen op dit bedrijf? Ook na eventuele legalisatie blijft GS bevoegd gezag en het bedrijf laat nu al zien zich niet aan voorschriften te houden. Wordt dat meegenomen in de toekomstige relatie? 

 

Antwoorden

Antwoord op Statenvragen PS2018-168

Arnhem, 4 april 2018

zaaknr. 2018-003880

Vraag 1 : In uw beantwoording gaf u aan mee te willen werken aan legalisering omdat uit milieu hygiënisch oogpunt er geen bezwaren zijn op die locatie deze activiteiten uit te voeren.

Antwoord: Vanuit milieu hygiënisch oogpunt zijn er inderdaad geen bezwaren om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Vanwege strijdigheid van de mestverwerkingsactiviteiten met het bestemmingsplan hebben wij aan de gemeenteraad van Buren verzocht om een zogenaamde verklaring van geen bedenkingen (vvgb) af te geven. Op 13 maart 2018 heeft de raad van Buren geweigerd om de vvgb af te geven. Dit betekent dat wij de gevraagde omgevingsvergunning moeten weigeren vanwege het ontbreken van een vvgb.

Vraag 2 : Hoe verhoudt dit zich tot de milieu categorie 5.1 die aan de mestverwerking zijn toegekend?

Antwoord: De classificatie van mestverwerking/korrelfabrieken is milieucategorie 5.1 volgens de Handreiking bedrijven en milieuzonering (VNG). Deze classificatie wordt voor mestverwerking uitsluitend bepaald door het geuraspect. Via geuronderzoek is aangetoond dat de 5.1 classificatie met de huidige stand der techniek lager uitvalt De VNG-brochure gaat uit van het beginsel van gemotiveerd toepassen. Dit betekent onder meer dat geen gebruik hoeft te worden gemaakt van de in de VNG-brochure opgenomen aanbevelingen. Uiteraard moet wel onderbouwd worden dat een initiatief niet leidt tot onaanvaardbare hinder voor omwonenden. Uit de geurrapportages, die onderdeel uitmaken van de aanvraag, blijkt dat hiervan geen sprake is. De rapportages zijn namens ons goedgekeurd door de Omgevingsdienst Regio Nijmegen en geven een representatief beeld van de geursituatie bij het mestverwerkingsbedrijf.

Vraag 3 : Het ruimtelijk beleid van de provincie is er op gericht om nieuwe bedrijventerreinen te beperken en eerst bestaande locaties vol te bouwen voordat nieuwe toegevoegd worden. Hoe ziet u meewerken aan legalisatie van Orgamebo in dit licht?

Antwoord: In bestemmingsplannen die zien op het landelijk gebied staat de Omgevingsverordening biomassavergistingsinstallaties, mestbewerkingsinstallaties en mestverwerkingsinstallaties toe. De installaties zijn toegestaan op of aansluitend op bestaande agrarische bouwpercelen van een agrarisch bedrijf, bestaande bouwpercelen van een agrarisch hulp- of nevenbedrijf of vrijkomende agrarische locaties. De installaties moeten hierbij in hoofdzaak gebruik maken van biomassastromen uit de directe omgeving en landschappelijk en infrastructureel kunnen worden ingepast in het bestaande landschap. Het bedrijf Orgamebo past binnen deze bepalingen uit de Omgevingsverordening en is daarmee volgens het provinciaal ruimtelijk beleid toegestaan op de huidige locatie. Er is geen sprake van het toevoegen van een nieuw bedrijventerrein.

Vraag 4 : Orgamebo heeft een gedoogbeschikking ontvangen nadat het al een aantal jaar illegaal op de locatie activiteiten uitvoerde. U geeft aan dat er een handhavingsverzoek is gedaan. Conform het gedoogbeleid had u op dat moment geen gedoogvergunning meer kunnen verlenen. Was het college zich hiervan bewust bij het verstrekken van de gedoogvergunning? Heeft het college sinds 2015 ook in andere gevallen een gedoogvergunning versterkt waar dat niet past binnen het gedoogbeleid? Zo ja, in welke gevallen was dit het geval?

Antwoord: De Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) heeft namens ons College een last onder dwangsom opgelegd na de constatering van een toezichthouder van de ODR dat Orgamebo mestbewerkingsactiviteiten uitvoerde zonder omgevingsvergunning. Omwonenden hebben geen separaat verzoek tot handhaving ingediend. Wel hebben de omwonenden bezwaar gemaakt tegen de beide gedoogbeschikkingen, waarbij is aangegeven dat gehandhaafd zou moeten worden. Het bezwaar tegen de eerste gedoogbeschikking afgegeven op 10 mei 2017 hebben wij ongegrond verklaard. Op advies van de commissie Rechtsbescherming is een nadere motivering toegevoegd aan de gedoogbeschikking. De bezwaarschriften tegen de tweede gedoogbeschikking afgegeven op 29 november 2017 zijn in behandeling. Daarnaast is er een verzoek tot onmiddellijke intrekking van de gedoogbeschikking ingediend. Op 3 april 2018 heeft ons College een besluit genomen op dit verzoek.

Ons College heeft, naast Orgamebo, vanaf 2015 voor de Wabo in de hieronder vermelde gevallen een gedoogbeschikking in afwijking van het gedoogbeleid afgegeven.

2015: Dura Vermeer Nijmegen: puinbreekwerkzaamheden

2016: Synerlogic Duiven; gedogen laad- en losactiviteiten RWZI Apeldoorn: gedogen hogere geuremissie

2017: GMB Zutphen en RWZI Apeldoorn: gedoogbeschikking hanteren afwijkende euralcodes Watson Heteren: gedogen extra transportbewegingen

Maatschap Ottink Groenlo: gedogen mestverwerking Vink Barneveld: gedoogbeschikking ingebruikname ontzwavelingsinstallatie

2018: Maatschap Ottink Groenlo: gedogen mestverwerking (verlenging)

Vraag 5 : In de gedoogbeschikking zijn voorwaarden opgenomen. Wat zijn de exacte voorwaarden? Er zijn inmiddels 3 maal overtredingen van de gedoogbeschikking geconstateerd. In beantwoording op de vraag gaf u aan dat dit geen aanleiding gaf om de gedoogbeschikking in te trekken en tot sluiting over te gaan omdat de overtreding direct ongedaan gemaakt kon worden. Bij de eerste overtreding is dit wellicht verdedigbaar. Maar er is tot 3 keer toe een overtreding geconstateerd o.a. naar aanleiding van klachten uit de omgeving. Hoe kan u tot 3 keer toe tot dezelfde conclusie komen?

Antwoord: Het intrekken van een gedoogbeschikking is een besluit met verstrekkende consequenties voor een bedrijf. Het bedrijf zal de gedoogde activiteiten moeten staken of zelfs het gehele bedrijf moeten stilleggen. Hierbij moet dan ook telkens een belangenafweging worden gemaakt tussen de belangen van de omgeving en die van het bedrijf. In het geval van Orgamebo betrof het drie afzonderlijke overtredingen; het gebruik van de verkeerde toegangsweg, het op het buitenterrein uitladen van mest en het bouwen zonder bouwvergunning. Deze overtredingen zijn niet onomkeerbaar en zijn direct gestaakt op last van de Omgevingsdienst Rivierenland. De eventuele overlast die omwonenden als gevolg hiervan hebben ondervonden werd hiermee ook beëindigd. Het intrekken van de gedoogbeschikking staat dan ook niet verhouding tot de geconstateerde overtredingen. Bijgevoegd treft u de gedoogbeschikking aan met bijbehorende voorwaarden.  

Vraag 6 : In de beantwoording gaf u aan dat er volgens u geen verschil is bij het intrekken van een vergunning of het intrekken van een gedoogbeschikking. Er is een groot verschil en dat is dat het bedrijf illegaal met activiteiten is begonnen die niet op die locatie uitgevoerd mogen worden, die tot overlast voor de omgeving leiden en bewust gestart zijn. Bent u het met ons eens dat juist bij een gedoogbeschikking strenger opgetreden moet worden?

Antwoord: Zowel bij het intrekken van een omgevingsvergunning als bij het intrekken van een gedoogbeschikking moet telkens een belangenafweging worden gemaakt. Bij overtreding van de voorwaarden van een gedoogbeschikking wordt hier zeer kritisch naar gekeken. In het geval van Orgamebo stonden de overtredingen niet in verhouding tot het direct intrekken van de gedoogbeschikking zoals uiteengezet in de beantwoording van vraag 5.

Vraag 7 : Hoe gaat u uw handhavingsstrategie in de toekomst toepassen op dit bedrijf? Ook na eventuele legalisatie blijft GS bevoegd gezag en het bedrijf laat nu al zien zich niet aan voorschriften te houden. Wordt dat meegenomen in de toekomstige relatie?

Antwoord: Bij Orgamebo wordt de handhavingsstrategie toegepast zoals beschreven in het door ons in juli 2016 vastgestelde beleid voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dit betekent dat onder andere gekeken wordt naar het naleefgedrag van het bedrijf. Dit kan aanleiding zijn de handhaving te intensiveren.

Zoals vermeld bij het antwoord op vraag 1 zijn wij genoodzaakt om de omgevingsvergunning te weigeren vanwege het ontbreken van een vvgb. Aangezien er geen concreet zicht meer is op legalisatie, een belangrijke voorwaarde om te gedogen, trekken wij de gedoogbeschikking in. Orgamebo zal de mestverwerkingsactiviteiten binnen afzienbare termijn moeten staken. Om ons ervan te verzekeren dat de activiteiten daadwerkelijk worden gestaakt, zal een last onder dwangsom worden opgelegd aan het bedrijf.

Gedeputeerde Staten van Gelderland

C.G.A. Cornielje - Commissaris van de Koning

P.G.G. Hilhorst - secretaris