Vragen over de stand van zaken Landbouw Ontwik­ke­lings Gebieden


Indiendatum: jul. 2008

  1. Kent u het artikel “Vrees voor te veel boeren. Bewoners zijn bang voor ongebreidelde groei veehouderijen.” uit het Veluws Dagblad van 19 juni 2008, en het artikel “Gatherweg boos over LOG-plan”uit de Stentor van 14 juli 2008?

Het artikel vermeldt dat bewoners van Landbouw Ontwikkelings Gebied Beemte-Vaassen vrezen dat hun woonomgeving, onder provinciale druk, wordt volgebouwd met stallencomplexen. De bewoners willen dat er een maximum gesteld wordt aan het aantal intensieve veehouderijen in het gebied. Vooralsnog gebeurt dat echter niet.

In Aalten/Lintelo hebben de statenleden tijdens een werkbezoek kunnen zien dat een gemeente een bestaand perceel kan splitsen, zodat extra kavels met extra bouwblokken ontstaat. Onze fractie neemt aan dat in verband met de Nieuwe Wet Ruimtelijke Ordening de provinciale diensten de situatie met betrekking tot de gebiedsontwikkelingsplannen, en gemeentelijke bestemmingsplannen actief volgen.

  1. Wat is inmiddels de situatie in de verschillende Landbouw Ontwikkelings Gebieden (en gemeenten),met betrekking tot de mogelijkheid van het bouwen van grote stallencomplexen ?
  2. Wat zijn in Gelderland op het platteland (in het “buitengebied”) de maximale bouwhoogtes?
  3. Wat zijn de maximale bouwblokgroottes ?
  4. Wat zijn de minimale afstanden tussen bouwblokken ?
  5. Wat zijn de maximale bebouwingspercentages per LOG ?
  6. Met andere woorden : is er een maximum gesteld aan het aantal grootschalige stallencomplexen in een bepaald gebied ?
  7. Zo ja, op welke manier is dat gebeurd ? Hoeveel staloppervlak, dieren en milieubelasting kandat in theorie maximaal opleveren ? En wat zou het voor invloed op het Gelderse klimaatprogramma hebben ?
  8. Zo nee, vinden Gedeputeerde Staten het dan niet wenselijk om via een verordening een maximum te stellen aan het aantal intensieve veehouderijen en het staloppervlak in een regio ?
  9. Hoe zal het er in een LOG in de visie van GS in 2050 uitzien ?

De bewoners van het LOG vrezen dat de provincie via een aanwijzing de gemeenten zal dwingen om meer stallen toe te staan, en is bang dat geen eigen, fatsoenlijke ruimtelijke- en planologische visie voor het gebied meer gevormd kan worden; dat geen kaders gesteld kunnen worden.

  1. Bestaat de kans dat de provincie de gemeente zal dwingen om nog meer staloppervlak toe te staan ?
  2. Zo ja, hoeveel mogelijkheden moet een gemeente dan in een LOG bieden, voordat Gedeputeerde Staten “tevreden” zijn ?
  3. Is daarover communicatie tussen provincie en de gemeenten (in het bijzonder gemeente Epe) geweest

Luuk van der Veer
Lid Provinciale Staten van Gelderland
Partij voor de Dieren

Indiendatum: jul. 2008
Antwoorddatum: 2 sep. 2008

» deze antwoorden op de website van de provincie

Vraag 1: Kent u het artikel “Vrees voor te veel boeren. Bewoners zijn bang voor ongebreidelde groei veehouderijen.” uit het Veluws Dagblad van 19 juni 2008, en het artikel “Gatherweg boos over LOG-plan”uit de Stentor van 14 juli 2008?
Antwoord: Ja. Het artikel vermeldt dat bewoners van Landbouw Ontwikkelings Gebied Beemte-Vaassen vrezen dat hun woonomgeving, onder provinciale druk, wordt volgebouwd met stallencomplexen. De bewoners willen dat er een maximum gesteld wordt aan het aantal intensieve veehouderijen in het gebied. Vooralsnog gebeurt dat echter niet.

In Aalten/Lintelo hebben de statenleden tijdens een werkbezoek kunnen zien dat een gemeente een bestaand perceel kan splitsen, zodat extra kavels met extra bouwblokken ontstaat. Onze fractie neemt aan dat in verband met de Nieuwe Wet Ruimtelijke Ordening de provinciale diensten de situatie met betrekking tot de gebiedsontwikkelingsplannen, en gemeentelijke bestemmingsplannen actief volgen.

Vraag 2: Wat is inmiddels de situatie in de verschillende Landbouw Ontwikkelings Gebieden (en gemeenten),met betrekking tot de mogelijkheid van het bouwen van grote stallencomplexen ?
Antwoord: In de drie Gelderse Reconstructieplannen zijn door uw Staten 15 landbouwontwikkelingsgebieden (LOG’s) aangewezen en gegrensd. Het gaat daarbij om 13 gemeenten welke alle bezig zijn de reconstructieopgave voor deze gebieden door te vertalen in gemeentelijk ruimtelijk beleid.

Over de voortgang per LOG / gemeente hebben wij u dit voorjaar reeds geïnformeerd via de statennotitie “Voortgang in de Landbouwontwikkelingsgebieden (LOG’s)” (PS2008-145). Begin maart 2008 is u aanvullend een ambtelijke notitie toegezonden “Stand van zaken in de Gelderse landbouwontwikkelingsgebieden” (PS2008-193). Inmiddels is een verdere voortgangsnotitie aan uw commissie toegezegd. De notitie zal volgens de huidige planning in de oktober aan uw commissie worden voorgelegd.

Vraag 3: Wat zijn in Gelderland op het platteland (in het “buitengebied”) de maximale bouwhoogtes?
Antwoord: Voor het platteland geldt niet één maximale bouwhoogte in Gelderland. De hoogte die een agrarisch gebouw mag hebben vergt maatwerk. Naast het landschapstype kan ook de locale situatie bepalend zijn welke bouwhoogte acceptabel is. Het is aan de gemeenten hiermee zorgvuldig om te gaan. In de verschillende bestemmingsplannen in Gelderland komen dus verschillende maximale bouwhoogtes voor. Ter indicatie: bijna alle gemeenten hanteren een maximale nokhoogte tussen de 9 en 11 meter.

Vraag 4: Wat zijn de maximale bouwblokgroottes ?
Antwoord: Ten behoeve van de intensieve veehouderij mag in extensiveringsgebied het bouwblok niet worden vergroot, in verwevingsgebied is maximaal 1 hectare voor intensieve veehouderij toe te kennen terwijl in landbouwontwikkelingsgebied het bouwperceel 1,5 hectare kan bedragen. In verwevingsgebied en landbouwontwikkelingsgebied kunnen gemeenten in maatwerkgevallen een groter bouwperceel toekennen onder voorwaarde van een landschappelijk inpassingsplan. Bij die gemeentelijke beoordeling zal veel afhangen van de feitelijke, ruimtelijke en milieuhygiënische situatie ter plaatse.

Vraag 5: Wat zijn de minimale afstanden tussen bouwblokken ?
Antwoord: Hiervoor is geen uniforme provinciale maatvoering. Het open houden van ruimten tussen bouwblokken kan ingegeven worden vanuit zowel ruimtelijk / landschappelijke als wel om veterinaire redenen. Voor beide invalshoeken zijn er geen generieke wettelijke normen. Dat betekent dat er bij de uitwerking van het reconstructiebeleid naar het bestemmingsplan keuzevrijheid aanwezig is. Zo zal in het ene gebied een keuze door een gemeenteraad kunnen worden gemaakt voor een spreidingsmodel terwijl in een ander gebied voor de nieuwvestiging juist gekozen wordt voor concentratie.

Echter ook bij een geconcentreerde vestiging is enige ruimte tussen de bouwblokken nodig. Veterinair maar ook vanuit geur- en geluidhinder is enige afstand tussen een bedrijfswoning en een naastliggend bouwblok wenselijk.

Vraag 6: Wat zijn de maximale bebouwingspercentages per LOG ?
Antwoord: Er zijn geen bebouwingspercentages per LOG. In de statennotitie van mei 2008 (PS2008-359) hebben wij onder andere al gesteld: “Voor een totaal LOG gaat slechts om een beperkte oppervlakte van het gebied dat nodig is voor de ontwikkeling van de intensieve veehouderij. In de LOG’s blijft meer dan 90% van het huidige grondgebruik onaangetast”

Vraag 7: Met andere woorden : is er een maximum gesteld aan het aantal grootschalige stallencomplexen in een bepaald gebied ?
Antwoord: Nee, vanuit de provincie is geen maximum of minimum gesteld aan het aantal bedrijven. Het uiteindelijk vast te stellen bestemmingsplan geeft de ruimtelijke mogelijkheden hoeveel bestaande bedrijven kunnen uitgroeien dan wel hoeveel ruimte er wordt geboden voor de nieuwvestiging van bedrijven. Dit bestemmingsplan biedt de gewenste duidelijkheid omtrent de mogelijke ontwikkeling van de intensieve veehouderij in het LOG.

Vraag 8: Zo ja, op welke manier is dat gebeurd ? Hoeveel staloppervlak, dieren en milieubelasting kandat in theorie maximaal opleveren ? En wat zou het voor invloed op het Gelderse klimaatprogramma hebben ?
Antwoord: In de verschillende LOG’s wordt in nauwe samenwerking met gemeente, provincie en met bewoners en betrokken partijen gewerkt aan de doorvertaling van het reconstructiebeleid naar het bestemmingsplan. Welke ruimte voor de intensieve veehouderij dat dit oplevert is nu nog niet te zeggen.

Tegenover de groei van de intensieve veehouderij in de LOG’s staat de krimp elders. De verplaatsing van bedrijven uit de extensiveringsgebieden levert een belangrijke bijdrage aan de gewenste verbetering van de milieukwaliteit van de meest kwetsbare natuurgebieden (veelal ook Natura 2000 gebieden) in Gelderland. Ook lost bedrijfsverplaatsing in bepaalde gevallen een geurknelpunt op en/of levert het landschappelijke winst.

De groei van de intensieve veehouderij in de LOG’s vindt plaats in nieuwe stallen waaraan hoge technische milieu-eisen worden gesteld. De dieren zijn veelal afkomstig van kleinere bedrijven en uit verouderde stallen. Deze ontwikkeling betekent minder emissie van ammoniak, geur en fijnstof en is dus positief voor milieu en klimaat.

Vraag 9: Zo nee, vinden Gedeputeerde Staten het dan niet wenselijk om via een verordening een maximum te stellen aan het aantal intensieve veehouderijen en het staloppervlak in een regio ?
Antwoord: Het aantal bedrijven / locaties met intensieve veehouderij loopt terug. De blijvende bedrijven worden wel groter. Het aantal dieren neemt door deze verschuivingen per saldo echter niet toe. Bedrijven kunnen alleen maar groeien door dierrechten te kopen van bedrijven die stoppen of krimpen. Vanaf dit jaar zijn dierrechten door geheel Nederland vrij verhandelbaar. Van een toename van het aantal dieren in Gelderland die afkomstig zijn uit andere provincies is op dit moment geen sprake. Ons college acht het zodoende niet nodig om via een verordening een maximum te stellen aan het aantal bedrijven dan wel aan het staloppervlak.

Vraag 10: Hoe zal het er in een LOG in de visie van GS in 2050 uitzien ?
Antwoord: Zie het antwoord bij vraag 6. Ons college hecht eraan om de ruimtelijke kwaliteit te behouden. De LOG’s zijn in het actieplan Ruimtelijke Kwaliteit 2008-2011 (door ons college vastgesteld in februari 2008) als één van de 15 speerpunten voor 2008 opgenomen. We willen LOG’s realiseren waarbij we recht doen aan de drieslag gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Een aantrekkelijk landbouwlandschap zogezegd.

De bewoners van het LOG vrezen dat de provincie via een aanwijzing de gemeenten zal dwingen om meer stallen toe te staan, en is bang dat geen eigen, fatsoenlijke ruimtelijke- en planologische visie voor het gebied meer gevormd kan worden; dat geen kaders gesteld kunnen worden.

Vraag 11: Bestaat de kans dat de provincie de gemeente zal dwingen om nog meer staloppervlak toe te staan ?
Antwoord: Op grond van de reconstructieplannen komen ongeveer 65 bedrijven in aanmerking hun bedrijf te verplaatsen uit de extensiveringsgebieden. Op grond van de subsidieregeling “Verplaatsing Intensieve Veehouderijen-Gelderland” dienen deze bedrijven zich in een landbouwgebied zich te hervestigen. Deze minimale reconstructieopgave dient in de 15 LOG gebieden te worden ingevuld. Indien gemeenten dit LOG beleid niet tijdig doorvertalen in hun bestemmingsplan dan wel onvoldoende ruimte bieden aan de intensieve veehouderij, kan de provincie op grond van de nieuwe Wro besluiten zelf het bestemmingsplan te maken.

Ons college gaat er vooralsnog van uit dat gemeenten in goed overleg met bewoners en betrokken partijen komen met goed onderbouwde ruimtelijke visies / bestemmingsplannen waarbij voldoende rekening is gehouden met de reconstructieopgave.

Vraag 12: Zo ja, hoeveel mogelijkheden moet een gemeente dan in een LOG bieden, voordat Gedeputeerde Staten “tevreden” zijn ?
Antwoord: Vanuit de drie reconstructieplannen ligt er een “inplaatsingsopgave” welke in de 15 LOG gebieden invulling dient te krijgen. De inplaatsing kan geschieden door gebruik te maken van een bestaande locatie dan wel door nieuwvestiging. De mogelijkheden voor Intensieve Veehouderij-ontwikkeling verschillen per LOG gebied sterk. Dat hangt samen met de oppervlakte van een LOG maar ook met de “milieugebruiksruimte”. Ons college is tevreden als in een LOG ruimte voor de Intensieve Veehouderij wordt geboden die in verhouding staat met de ontwikkelruimte die er in het betrokken LOG-gebied aanwezig is. Elk LOG zal haar deelbijdrage aan de totale reconstructieopgave moeten bieden.

Vraag 13: Is daarover communicatie tussen provincie en de gemeenten (in het bijzonder gemeente Epe) geweest ?
Antwoord: Ja. Bij de opstelling van het gebiedsplan LOG Beemte-Vaassen is de provincie intensief betrokken geweest. In zowel de projectgroep, de klankbordgroep als de stuurgroep Epe-Vaassen is de provincie zelf en de Dienst Landelijk Gebied vertegenwoordigd.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer